Column: Een Godswonder

Ik ben niet gelovig. Ook niet goedgelovig. Toch denk ik dat er iets is tussen hemel en aarde. Waarom ik dat denk? Soms gebeuren er dingen waar je met je volle verstand niet bij kan. Een ongelooflijke gebeurtenis waarvan je denkt: niet te geloven.

Als een tovertruc van het echte leven.

Ik hoor je denken: Zal wel. Ik dacht dat ook altijd. Tot ik er zelf mee werd geconfronteerd. Ik was ooit eens in Denemarken. In het prachtig plaatsje Horsens, ergens aan de kust van Jutland tussen Kolding en Aarhus. Ik zeg nou wel dat het een prachtig plaatsje is, maar dat weet ik eigenlijk helemaal niet, omdat ik alleen de golfbaan van Horsens heb gezien.

Horsens klinkt in het Deens als hazzens, Gronings voor hersenen. Dit heeft trouwens niks met het verhaal te maken. Ofschoon je hersenen denk ik wel gaan kraken van dit verhaal. Ik was dus op op die golfbaan met Harm Lubbert en zijn Deense kameraad Lars.

Drie mannen op leeftijd die denken dat ze een goed balletje kunnen slaan. Ik dacht dat ook altijd van mezelf. Hoe ouder ik word des te meer ik erachter kom dat het niet zo is.

In Horsens vond ik mezelf destijds nog een heel goede golfer.

Ik had al een paar fantastische ballen geslagen en er leek een heel mooi golfdagje in het verschiet te liggen. Op de afslagplaats van de vijfde hole moest de bal een heel end weg worden gemept om tot het gaatje te komen. Ik zag mijn bal al tot in het oneindige vliegen.

Ik ging klaar staan met de Big Bertha driver. Dat is een golfstok genoemd naar een roemrucht Duits kanon, dat weer genoemd was naar Bertha Krupp, de vrouw van kanonbouwer Krupp. Vlak voor ik de bal een klap gaf, schoot er plotseling een stoot adrenaline door mij heen.

Alsof ik bevangen werd door zenuwen, alsof ik het podium moest betreden van een zaal met duizend man. Er was totaal geen reden voor dat gevoel. Mijn speelgenoten waren de meest vriendelijke vrienden en om die paar biertjes die de verliezer moest betalen, hoefde ik ook geen ‘navvelsoezen’ te hebben.

Ik sloeg de bal met die gekke zenuwen in mijn lijf oneindig ver. De Deense bosjes in. De volgende vloog nog verder. Een Deense sloot in. De hele middag raakte ik geen bal. Ook het bier na afloop smaakte niks. En dat was niet omdat ik het betalen moest.

Ik bleef maar dat gekke gespannen koortsachtig grieperig gevoel houden. Die avond kon ik niet slapen. De hele nacht lag ik wakker in een bed in Silkeborg met zo nu en dan een oprisping van misselijkheid. De volgende morgen even na half acht piepte mijn telefoon. Een sms van mijn schoonzus.

‘Je broer is van de aardappelzolder gevallen. Hij heeft zijn bekken gebroken. Maak je geen zorgen, het komt goed.’

Het gekke gespannen gevoel was meteen weg. De rust kwam terug in mijn lijf. Mijn boerbroer was de vorige dag van meters hoog op de betonvloer van de aardappelschuur gedonderd. Met gillende sirenes werd hij overgebracht naar het UMCG.

Later hebben we uitgevogeld dat op het moment dat hij die bijna fatale val maakte, ik dat gekke gevoel kreeg op de golfbaan en met de Big Bertha de bal alle kanten op sloeg behalve de goeie. Dit geloof je toch niet. En toch is het zo.

Vorige week raakte ik met een man in gesprek. Een alleraardigste zachtmoedige man. Een gelovige man ook. Hij vertelde dat hij met pensioen ging, straks in maart. Dat die dag nog ver was maar tegelijkertijd ook heel dichtbij. Hij had al een kleiner huisje geregeld, vlak bij zijn kinderen om met zijn vrouw zijn oude dag te slijten.

Veertien jaar was hij bij de baas geweest en stond hij als manusje van alles altijd klaar. Voor de baas en voor het personeel. Altijd voor anderen. Nooit een onvertogen woord. Immer de vriendelijkheid zelve. Een man op wie je kon rekenen, een man van wie er veel meer moeten zijn.

Ik vroeg me af wat hij dan voor die veertien jaar had gedaan. ‘Kippen’, zei de man. Hij had altijd in de kippen gezeten. Slachtkippen. Eerst voor zichzelf en later, omdat het wel heel erg druk werd, voor een slachtkippenbaas. Op een werkdag als alle andere stond hij aan de inpakmachine van de dode kippen. Het ging allemaal 'lopies', als altijd.

Plotseling stokte alles. Zijn hersenen, zijn lijf. Het zwart kwam hem voor de ogen. Zijn menselijke motor was van het ene op het andere moment geploft. ‘Ik kon niks meer. En dan ook helemaal niks meer’.

De dagen erna niet. De weken erna niet en de jaren erna ook niet. Hij kon geen auto meer rijden, niet meer in zijn tuintje aan het werk, geen boek meer lezen omdat alleen het vasthouden ervan al te veel moeite kostte. Een wandelingetje van een paar honderd meter was al te veel van het goeie. Ook het zondagse bezoek aan de kerk moest hij aan zich voorbij laten gaan. Laat staan werken in de kippenslachterij. Hij bleef aan huis gekluisterd.

De huisarts en de doktoren in het ziekenhuis wisten er geen enkele raad mee. Wat ze ook voorschreven, wat er ook voor een genezing werd bedacht, de motor van de man kwam niet meer op gang.

Zeven jaar later op een mooie voorjaarszondag was er van zijn kerk een speciale dienst van een bekende dominee uit Holland. ‘Ik ga ook mee’, had hij zo maar uit het niets gezegd tegen zijn vrouw. Die had nog tegengesputterd omdat het hem teveel zou worden.

‘En toch ga ik’, zei hij vastberaden. Die zondag, de kerk was helemaal vol, sprak de bekende dominee over troost van het geloof en de steun van God. Precies op dat moment kwam het leven terug in de man. De energie vloeide weer door zijn aderen. Herboren kwam hij thuis.

De doktoren geloofden hem niet. Zelfs zijn vrouw had haar twijfels. Maar hij kon weer wat hij altijd had gedaan. In de tuin, lezen, wandelen alsof het leven weer opnieuw was begonnen. Hij ging weer aan het werk. Niet meer terug in de kippen, maar als manusje van alles bij een nieuwe baas.

De man keek me aan. Emotie in zijn ogen. ‘Het is een Godswonder’, zei hij uit de grond van zijn hart.

En weet je. Ik geloof hem.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws