Column: Vislucht

Mijn allereerste liefde was een heel mooi meisje. Lang blond haar, zeeblauwe ogen en ze rook naar geurige veldbloemen. De eerste zoen, de urenlange telefoontjes, de wandelingen in het park. Een rooie jongen van zestien tollend van liefdesgeluk.

Op een mooie zomerdag reed ik langs de veensloot voor onze hereniging na een Spaanse vakantie. Met een zilveren kettinkje in een blauw doosje brandend in mijn zak zag ik haar met kloppend hart aan komen fietsen. ‘Hai’, zei ze. De toon was niet de toon die ik kende.

Daarna kwamen de woorden die ik niet aan zag komen. Mijn hart brak. In duizend stukjes. De pijn trok in mijn ziel en ik droeg haar jarenlang met me mee.

Ook letterlijk. Op de stang van mijn oude bruine Fongersfiets met terugtrapversnelling zat een veeg blauwe verf. Die blauwe verf was van haar fiets. In het Koekoektunneltje van het Sterrebos hadden we in het zoenen de tijd vergeten.

Ze schrok toen het plotseling donker was. Haar ouders stonden op de thuiskomtijd. In de haast om toch nog op tijd thuis te komen, schroefden onze fietsen in elkaar en lagen we samen op het wegdek. Een tand door de lip, een bloedende knie en een veeg blauwe verf op de stang van mijn fiets waren het gevolg.

Ik liet de verfveeg zitten. Als aandenken aan iets moois. Als aandenken aan ultiem geluk. De pijn bleef. Nog jaren. Bij elke blik op de stang van mijn fiets.

Dat liefde pijn kan doen is van alle leeftijden. Een kleine veertig jaar later voel ik het weer als die rooie jongen van zestien. Een mooie vrouw met donkerblonde krullen en grijsblauwe ogen kwam pardoes in mijn leven.

Mijn hart stroomde vol vreugde en zij bloeide op als een witte roos in de zomerzon. Ze ging fietsen en fietste mij er keihard uit, ze begon met schilderen en verblufte mij met haar talent, ze begon de mooiste liedjes te zingen, we deelden onze passie voor muziek, we liepen langs het strand van Schier, we dronken wijn, we lachten, we vreeën.

Maar hoe dichter mijn hart bij dat van haar kwam, hoe vaker haar hart zich sloot. Als een witte roos die zich verdedigt tegen de komst van de winterkou. Nog een keer bloeide ze op in het licht van de kerst. Totdat op een druilerige waterkoude avond haar hart definitief op slot ging. En mijn hart brak.

In tijden van luddevedut doe je dingen om te vergeten. Ik ging hardlopen, ik reed rondjes in de auto, ruimde de garage op en met hark en snoeischaar vrat ik mijn verwilderde achtertuin op. Bij het snoeien van het seringenboompje viel mijn blik op een stukje zilverfolie, verscholen tussen de groene blaadjes van de waldsteinia.

Ik pakte het op en vroeg me af waar het ineens vandaan kwam. Ik draaide het hart om. De achterkant van het hart was rood met vlekjes modder. Het deed me denken aan haar mooie gulden moederhart. Een hart dat niet geheeld is van een vorig leven en ik niet kon helen.

Ik beet op mijn lip en dook mijn auto in om de Witte Reus eens flink uit te mesten. De geur van vis kwam me tegemoet. Ook dat deed me aan haar denken.

Een van de laatste dingen die we samen deden was vis halen in Termunterzijl. Ik kocht sliptongetjes voor bij het kerstdiner en twee lekkerbekjes met een zoute haring om meteen op te eten. We smulden in het dashboardlicht van de Witte Reus.

De volgende morgen stapte ik weer in de auto en wist meteen dat ik de sliptongetjes vergeten was uit de kofferbak te halen. De geur van vis was zo sterk alsof de Witte Reus een Zoutkamper viskotter was geworden.

De vislucht verdween met het verstrijken van de dagen niet. Mijn auto geurde als de viskraam op de zaterdagmarkt. Ach, dacht ik, laat ook maar en beschouwde de visaroma als een aandenken aan haar, aan een herinnering van iets heel moois. Als de blauwe verf op een fietsstang.

Deze week zocht ik mijn Noordjas. Op de kapstok was de zwarte waterdichte en kou-werende jas niet te vinden. Ook boven tussen de andere jassen niet. ‘In de kofferbak’, dacht ik ineens. En ja, daar had ik ‘m kennelijk een keer ingelegd en niet weer uitgehaald.

Ik nam de jas mee naar binnen en rook een sterke vislucht. Ik stopte mijn neus in de kraag van de jas. Moin dokter! Alsof ik net een overdatum gerookte makreel uit de verpakking haalde. Ineens kreeg ik het besef dat het wel heel raar zou zijn om die vislucht in de auto te laten.

Wat als ik eens met een goede vriend of een leuke vrouw een ritje zou gaan maken? En ik dan zou moeten gaan uitleggen dat die vislucht een aandenken is aan een liefde. Tja, hier zouden heel makkelijk verkeerde verbanden gelegd kunnen worden..

Ik ging bedenken hoe ik die visgeur uit mijn auto kreeg. Met raam open rijden over de A7, deuren uren open laten staan, wc-verfrisser. Geen enkel resultaat. Buurvrouw Knuterman bracht uitkomst. ‘Je moet even een bakje met wasverzachter in de auto zetten’, zei ze toen ze met opgetrokken neus naast mijn auto stond.

Dat had ze van Roy Donders geleerd. Je weet wel: dat rare Brabantse mannetje van de huispakken. Ik dacht: baat het niet, schaadt het niet. En ja. Donders! Het hielp ook nog. De geur van vis is uit mijn auto verdwenen.

Oh, en als u mij tegenkomt met een zwarte RTV Noord-jas en ik stink naar vis, dan weet u nu precies hoe het zit.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws