Column: Contactlenzen

De snelweg naar huis is donker en leeg. Geen voorgangers, geen achterliggers, geen tegenliggers. Het groot licht van de Witte Reus is zo even na middernacht het enig bewijs dat er een snelweg is. De avondklok, denk ik, tikt eenzaamheid.

De avondklok is nog twee dagen ver als ik de afslag naar de Molenstad neem, maar het is of ze de tijd al vooruit is. Via de Blauwe Roos en de brug over het Winschoterdiep rij ik de rechte weg met bomen naar nummer dertien. ‘Auw!!’ roep ik hardop achter het stuur.

Het is alsof ik met een gloeiende naald in mijn linkeroog wordt gestoken. Ik grijp met mijn rechterhand naar mijn gepijnigd oog. ‘Aauuww!’ schreeuw ik nog een keer. Ik weet wat het is. Het moest een keer gebeuren.

Het is een wimperhaartje, een wimperhaartje achter mijn contactlens. Het haartje heeft zichzelf los gewurmd en genesteld tussen oogbal en hard glas. Ik druk met mijn vuist op mijn oog om de gloeiende pijn weg te drukken maar het helpt niet. De folterende pijn schiet door mijn hersenen en dan door mijn hele lijf.

Met mijn linkerhand en mijn nu ook tranende rechteroog probeer ik de auto recht te houden, maar het lukt niet. Ik zwalk over de lege weg. Ik zie zelfs met groot licht geen hand meer voor ogen. Ik schreeuw om de pijn te overstemmen. Om me van een wimperhaartje te bevrijden. Het helpt allemaal niks.

Ik weet niet meer hoe, met meer geluk dan wijsheid, staat mijn auto ineens in het inhammetje van de stadsplattegrond. Ik probeer met mijn rechterwijsvinger de contactlens inclusief wimperhaar uit mijn oog te drukken. Maar de lens lijkt wel vastgeplakt met 10 secondenlijm. Uit frustratie en pijn sla ik schreeuwend mijn rechtervuist keihard op het stuur.

Dat helpt niks. Behalve dat ik nu ook een gekneusde pink heb. Mijn ogen zijn ook gefrustreerd door de foltering. In het dashboardlicht biggelen de tranen over mijn wangen. Net zo plotseling als de stekende pijn kwam, is ie ineens ook verdwenen. Het onwillig wimperhaartje is meegevoerd in de tranenstroom. En daarmee is de pijn weg. Met een naschroeiende pijn in mijn linkeroog zet ik even later de Witte Reus op de oprit.

Het is me al vaker overkomen. Dat van dat folterende wimperhaartje. Maar nog nooit in de auto. Wat als de weg niet leeg was geweest? Wat als er zoals bijna altijd overdag een lange file had gestaan op de lange rechte weg met bomen?

Ik heb sowieso een lange geschiedenis met contactlenzen. Ik vind dat ik geen hoofd heb voor een bril en dat vond ik al op de middelbare school want daar deed ik mijn bril nooit op en zag geen steek wat de leraar allemaal op het bord schreef.

Ik was blij dat de contactlenzen kwamen. En stortte me in een nieuwe wereld, een wereld waarin de ogen voor me open gingen. Maar ook een wereld vol moeilijkheden en tegenslagen. Ik mocht namelijk vanwege een te lui rechteroog geen zachte lenzen.

En met harde, veel kleinere lenzen is het voor een onhandige kluns zoals ik vragen om moeilijkheden. Hoe vaak de lens niet van mijn hand is gestuiterd en ik urenlang in de badkamer op de grond heb gelegen op zoek naar een verloren lens. En ‘m dan weer vond in het roostertje van de afvoer van de wasbak.

Of al die keren dat ik, sukkel, mijn lenzen vergat uit te doen voor het slapen gaan en ik de volgende morgen wakker werd met twee rode lasogen. Dat ik erachter kwam dat je met twee lenzen in hetzelfde oog echt niet beter gaat zien.

Of dat je geen middernachtelijke duik moet nemen in een Grieks zwembad met je lenzen in. Dat je ze de volgende dag geheid niet terugvindt in een enorme bak met chloorwater en je de rest van de vakantie geen hol meer ziet van het Griekse eiland.

Ik weet ook nog dat ik een contactlens kwijtraakte toen ie in het hoogpolig tapijt viel van een vroegere slaapkamer. Ik zag ‘m vallen, wist precies waar ie lag, maar vinden, ho maar. Ik heb uren op en in het hoogpolig tapijt doorgebracht. Zelfs met stofzuiger met panty om de zuigmond. Maar geen lens.

Maanden later bij de verhuizing zag ik in de ochtendzon iets glinsteren op het tapijt. Ja hoor. Dezelfde lens waarnaar ik dagen naar op zoek was geweest, lag nog steeds op exact dezelfde plek waar ik dacht dat ik ’m verloren was. En zo kan ik nog wel even doorgaan met lensavonturen.

De volgende morgen, mijn linkeroog is nog vuurrood van de wimperhaarmarteling, moet ik naar de bakker, brood is op. Ik ga maar even zonder lenzen om het oog wat rust te gunnen. Met zwarte jas, zwarte muts, zwarte mondkap. Incognito, zeg maar.

Bij de bakker onder de toren is een kleine oude grijze vrouw met bril en mondkapje voor mij. Ze kletst er rustig op los met de bakkersvrouw achter de toonbank. ‘Wat n schietboudel nait, dij oavendklok’, komt uit de grond van haar hart. Maar ze voegt er aan toe dat ze blij is met haar hondje, want dan mag ze er ‘s avonds toch nog even uit.

‘Moi…’ zegt ze tegen mij als ze heeft betaald en richting deur loopt. ‘Moi’, zeg ik terug. Ze heeft de deurknop al in de hand als ze zich omdraait en naar mij kijkt. ‘Binnen ie nait van TV?’ Mwohh nait recht’, geef ik als antwoord achter mijn mondkapje en onder mijn muts.

Ze kijkt even nadenkend voor zich uit. ‘Ik wait t al. TV Noord’, zegt ze dan triomfantelijk. Ze kijkt weer even voor zich uit. ‘Hulsegge’, zegt ze dan. ‘Joawoah, ik herken die aan dien oogjes. En ze zegt het nog een keer. ‘Dij leutje pretoogjes’.

‘Komst oet Westerlij he?’ gaat ze verder. ‘Ik heb datteg joar tegenover die woont’. Nu ben ik verbaasd. Ik weet niet wie ze is. ‘Wel binnen ie din?’ vraag ik nieuwsgierig. Ze kijkt me verontwaardigd aan. Een beetje bozig zelfs.

‘ Pfff’, komt uit haar mond. ’Volgens mie hest doe n brille neudeg…’ en beent de winkel uit.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
natuur onderwijs columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws