Column: Een vriend van altijd

Ineens staat er een cabrio voor nummer 13. De glanzende zwarte panter met open rug staat eigenlijk een stukkie, een huis verder. De bestuurder van de cabrio weet even niet meer precies waar ik woon.

‘Ik moet bij Erik zijn’ hoor ik hem tegen buurman Schoorsteen zeggen.

Ik loop naar buiten en zie de olijke grijze kop boven de auto uitsteken. Mijn vriend van altijd heb ik lang niet meer gezien maar hij is niks veranderd: bruine kop en nog altijd even modieus gekleed met lichte broek en opgekrulde pijpjes. Behalve het grijze haar. Er zit niet overal even veel om het tactisch uit te drukken.

Ik noem hem van altijd omdat we elkaar bijna ons hele leven kennen. Als baby lagen we al bij elkaar in de wieg. Dat is al gauw 53 jaar geleden. ‘Moi Rinus’, zegt hij lachend. Rinus komt van Rooie Rinus en was mijn dorpse bijnaam uit de tijd dat mijn haar nog rood was. ‘Ik was het even kwijt. Ik dacht dat je die bruine Peugeot nog had. Maar dit is ook een lekker karretje’, en hij knikt naar mijn Zweedse Witte Reus op de oprit.

Ergens in onze vroege jeugd zijn we elkaar zeven jaar kwijt geweest. Hij verhuisde van Oldambtster boerderij naar boerderij, van dorp naar buurtschap, ver weg van mijn woonstee. Het lot bepaalde dat we weer bij elkaar kwamen, in de brugklas aan de Gassingel naast het ziekenhuis, waar ooit de gasfabriek stond.

We zaten achteraan. Bovenste verdieping, in klas 1a. Hij naast Boelo. Ik naast Japie. Ik zie nog voor me hoe hij zich in de Franse les verslikte in een appel omdat meneer Metref hem totaal onverwacht vroeg: ‘Comment t'appelles tu?’

Hij had net stiekem een enorme hap uit een Goudreinet genomen. De vraag van de kleine Franse leraar met zwarte toupet deed hem zo schrikken dat het enorme stuk appel in plaats van in z’n slokdarm in z’n luchtpijp belandde en muurvast kwam te zitten. Hij werd rood en daarna blauw door ademnood. Hij liep zelf naar het naastgelegen ziekenhuis met meneer Metref rennend met z’n korte beentjes er achteraan.

In de cabrio is het mede door het aangename voorjaarsweer heerlijk warm. ‘Hoop dat het niet gaat regenen’ zegt mijn oude vriend voordat we wegrijden, intussen Buienradar checkend. Het dak van de cabrio wil namelijk niet meer dicht. De regen is gelukkig ver weg.

Zo naast hem zittend, rijdend in de cabrio komen de herinneringen aan vroeger vanzelf weer boven. De stiekeme tochtjes in de Citroën Dyane als pa en ma de hort op waren. We waren zestien en van een rijbewijs hadden we nog nooit gehoord.

Of onze busreis naar een wedstrijd van het Nederlands Elftal in De Kuip. We hadden al ingedronken in het café waar de voetbaltrip vanuit ging. De rotonde van Gieten was nog niet in zicht of we waren al torretje zat. De drank viel bij hem zo slecht dat hij niks meekreeg van een voetbalinterland en miste hoe twintig Oostgroningse blote mannenkonten een saluut brachten aan een bus vol Franse plattelandsvrouwen.

Ook redde hij mij zovele keren als ik teveel had gedronken. En sleepte hij mij op zijn fiets mee naar huis, dat ik in mijn kennelijke staat nooit terug had kunnen vinden. Dat ging ook wel eens mis. Zo vlogen we een keer op volle snelheid over de kop op de overgang tussen Nieuweweg en Hoofdweg in Nieuw-Beerta. Zijn trapper kwam na een avondje doorhalen in mijn voorwiel, waardoor we zwaar gehavend en volgens pa veel te laat thuiskwamen.

We lagen met de auto in de sloot tussen Meedhuizen en Delfzijl omdat ik een flauwe bocht in de donkere polderweg over het hoofd had gezien. Wij kwamen er wonder boven wonder goed vanaf. De nieuwe blauwe wagen van mijn vader niet.

Ik viel eens bij hem thuis door een boerderijraam. Als hij mij niet gegrepen had, was ik vastgespiest op een grote scherpe raamscherf, die rechtop in de sponning stond. Wij maakten met windbuks jacht op boerderijratten en wij beleefden avonturen met meisjes, die niet altijd een schoonheidsprijs verdiende. Althans van mijn kant.

De cabrio zoeft aangenaam over het wegdek. De wind briest zachtjes door ons haar. Wij hebben het over vrouwen, over vrienden van vroeger, over boerderijen, over auto’s, over de angst voor corona, dat nu alweer een jaar ons leven bepaalt, over het leven zelf. Alsof we elke dag naast elkaar in de auto zitten.

Uren later nemen we afscheid, maar niet voor we - als in de goeie ouwe tijd - samen een sigaretje hebben gerookt. We spreken af dat we elkaar snel weer zullen zien. Die afspraak hebben we vaker gemaakt en niet nagekomen. Dat maakt niks uit. Het is en blijft altijd goed.

De grijze olijke kop steekt nog een keer boven de rand van de zwarte cabrio uit. Met een zwaai met zijn arm neemt hij afscheid om even later te verdwijnen in het donker om de hoek van de straat.

De volgende morgen heb ik lentekriebels. De lucht ruikt naar voorjaar en het is zo warm als in april aan de Spaanse Costa.

‘Eem op toentje’, denk ik. Maar die gedachte laat ik varen want mijn groene container is vol. Vergeten bij de weg te zetten. Eerlijk gezegd dacht ik dat de container leeg was en ik ‘m niet bij de weg hoefde te zetten, zo vertelde ik het een dag eerder aan buurman Knuterman.

Dan maar even op fiets naar Renko aan de andere kant van de Pieter Smitbrug. Ik stap de achterdeur uit en loop bijna tegen de groene container van de Knutermans aan. Buurman heeft de groene afvalbak zonder iets te zeggen en zonder dat ik het gevraagd heb bij mijn achterdeur gestald. Zo van: Ik weet dat je in de tuin wil. Magst hom wel eem broeken....

Ik moet denken aan dat spreekwoord van een goede buur en verre vriend.

Ik heb een hele goede buur en daarbij ook nog eens een hele goede vriend. En wat mij betreft. Voor altijd.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
openbaarvervoer coronavirus zorg
Deel dit artikel:

Recent nieuws