Column: Kunstgebit

Ik kijk in mijn eigen gezicht. Twee zorgvouwen tussen de wenkbrauwen, het bokserslitteken op de neusvleugel eronder, de vier kraaienpoten aan elk oog, het ene uitstekende haartje midden op de rechterwang en de enorme spelonk tussen mijn voortanden.

‘Dat gebit is mie wat’, zeg ik hardop tegen de spiegel. Ik ben vorige week naar de tandarts geweest. Meer nog naar de mondhygieniste. Haar blik was zorgelijk bij het poeren in mijn tandvlees. Ze strooide met getallen en millimeters. En daar kon ze uit opmaken dat het niet goed ging met mijn gebit. Terugtrekkend tandvlees.

Een hele uitleg volgde, met als slotconclusie dat mijn tanden en kiezen eruit zouden kunnen vallen. Ik had er meteen beeld bij en zag mezelf met een ingevallen en gebitloze mond lachen naar de tandartsassistente.

Daarna gingen mijn gedachten naar Geert. Die had al op jonge leeftijd een kunstgebit omdat in de overgang van melkgebit naar volwassen gebit iets heel erg mis was gegaan. Zijn kunstgebit stond ‘s nachts immer op het plankje onder de spiegel in de badkamer. In een glas water, naast de Kukident.

Hij biechtte het meteen op, toen hij ‘scharrelderij’ kreeg met Riekje. Zij maalde er niet om, ook al omdat haar moeder ook een kunstgebit had. Dat ook elke avond op het plankje onder de spiegel in de badkamer werd gezet. In een glas water, naast de Kukident.

Bij de eerste keer logeren bij Riekje en dus bij schoonmoeder, had Riekje gezegd dat Geert z’n kunstgebit op het nachtkastje naast het bed moest zetten. Omdat de plek onder de spiegel in de badkamer al verzegd was aan het kunstgebit van moeder Riemke.

Na een gezellige avond waarin heel wat Fladderakjes werden weggetikt, belandde Geert in bed met Riekje en zijn kunstgebit in een glas water op het nachtkastje. Heel vroeg in de morgen moest Geert met een duffe kop eruit om te plassen in de badkamer.

Zo’n anderhalf uur later kwam Geert beneden voor het ontbijt. Schoonmoeder was al druk bezig in de keuken. Koffie en eieren met uitgebakken spek, zo rook Geert met tevredenheid.

‘Moi Geerssst’ klonk het raar slissend vanuit de keuken. ‘Mossset ook melk in khofssie?‘, vroeg schoonmoeder of Geert ook melk in de koffie wilde.

‘Zie het al: gain gebit in’, dacht Geert, die zich wijselijk stilhield, maar wel z’n eigen gedachten had over het niet dragen van het kunstgebit door zijn schoonmoeder. Riekje kwam op dat moment fris gedoucht de kamer in. In haar hand een glas met water. In het water een kunstgebit. ‘Most dien gebit nait in Geert? Hai ston nog op nachtkastje…’

Schoonmoeder die net de kamer in was gekomen, keek vol ongeloof naar Geert. Naar de mond van Geert om precies te zijn. Geert op zijn beurt kreeg in de gaten dat hij iets vreselijks doms had gedaan. En dat hij al vond dat zijn gebit niet echt lekker zat. Bij de komst van het besef dat hij het kunstgebit van zijn schoonmoeder in zijn mond had, rende hij kokhalzend naar de wc.

‘Ragen. Je moet meer ragen’, zei de mondhygiëniste streng tegen mij en dat werd even later beaamd door de vriendelijke tandarts, die ook al zorgelijk in mijn mond keek. Maar dat is nu juist het probleem. Ik kan niet ragen. In die zin; ik krijg zo’n rager, zo’n mini-kopstubber niet tussen mijn kiezen.

Voorin is mijn gebit net een fietsenrek, waar een brommerband makkelijk in past en bijna een echte kopstubber, maar achteraan bij de kiezen is het zo gesloten als de kluis van de Nederlandsche Bank. Daar krijg je niks tussen en helemaal geen rager. Meteen krom en niet meer te gebruiken.

‘Toch maar wel doen. Voor je eigen bestwil’, zei de hygiënische tandartsvrouw en gaf me een puutje met hele goeie ragers mee.

En nu sta ik voor de spiegel en zie als een berg op tegen het ragen. Ik word er altijd zo ‘gramnieterg’ van als het niet lukt. En twee tellen later - ja hoor - ben ik inderdaad chagrijnig. Vier ragers krom en geen enkel resultaat.

Het beeld van een tandeloze mond doet me beseffen dat ik toch iets moet doen. Ik op de fiets naar de Appie en haal tandenstokers. Extra dun. Dat moet toch werken. En zowaar, bij de eerste twee kiezen glijdt de stoker er zo tussen en bij de volgende ook. Tussen de twee allerlaatste kiezen gaat het flink zwaar. Het is ook een tikje pijnlijk. Ik druk gewoon door.

‘Veur dien aigen bestwil’, zeg ik tegen de spiegel. Dan wil ik de tandenstoker terugtrekken. Het gaat niet. Hij glijdt niet meer terug. Ik sjor er nog eens goed aan. Heb ik plotseling de helft van een tandenstoker in mijn hand. De andere helft zit vast tussen mijn achterste kiezen, rechts bovenin. En niet een beetje vast. Muurvast. Met geen pincet eruit te krijgen.

Ik weet niet of jij het wel eens hebt gehad, maar de helft van een tandenstoker tussen je kiezen voelt niet lekker. Sterker nog: je wordt er mesjokke van. Wat ik ook doe. Het gaat van kwaad tot erger. Dan doe ik iets verstandigs. Ik bel de tandarts. Of hij me niet uit de stokersnood kan helpen? Vijf minuten later lig ik in zijn stoel. Ik woon vlakbij.

Met een tangetje is hij voorzichtig bezig tussen mijn kiezen. Ik bedenk ondertussen wat er dan nog overblijft om tussen je tanden en kiezen de boel schoon te kunnen maken. Flossen, denk ik dan. Straks maar even weer langs de Appie voor flosdraad.

De vriendelijke tandarts peurt op dat moment net anderhalve centimeter bebloede tandenstoker uit mijn mond. Triomfantelijk houdt ie het stukje hout met scherpe punt omhoog. ‘Dit me doet denken aan vorige week’, zegt hij dan en vertelt het verhaal van een andere patiënt, die ook kwam met ‘iets’ tussen zijn kiezen.

Volgens de vriendelijke tandarts zat het op de precies dezelfde plek als bij mij. Tussen de twee laatste kiezen, bovenin. ‘Ik wist niet wat ik zag’, zegt de tandarts. ‘Ik haalde eerst een klein stukje flosdraad tevoorschijn. Maar ik bleef maar trekken. Op het eind had ik meer dan dertig centimeter flosdraad in handen….’

Tja, ik heb al even op internet gekeken. Die kunstgebitten van tegenwoordig zien er best goed uit….

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws