Column: Kleine vriend

Ik rij naar Zuidbroek. Naar de supermarkt aan de snelweg. Ik weet niet waarom, maar ik mag er graag boodschappen doen. De regen valt in standje interval van de ruitenwissers als ik de Witte Reus met de neus naar het bloemenstalletje zet.

Een vrouw op hoge hakken en met een dikke bos krullen duwt haar karretje in de rij met andere karretjes. Haar blauwgrijze ogen boven het lichtblauwe mondkapje lachen naar me als ze zich omdraait.

Mondkapje. Verdold. Bijna vergeten mijn mondkapje op te doen. Ik voel in mijn jaszak. Ik heb in al mijn jassen een mondkapje. Dan weet ik zeker dat ik er nooit een vergeet. Maar in de zakken van mijn zwarte jas, die ik nu aanheb, zit er niet een.

Dan maar eentje uit de auto. Daar bewaar ik in het handschoenenkastje een paar. Voor uiterste nood. Het handschoenenkastje is leeg. Ik heb blijkbaar hiervoor al een paar keer te veel mondkapjesnood gehad. En nu? Maar weer op huis aan, denk ik, in een stemming van boos op mezelf en chagrijn. Ik voel nog een keer in de binnenzak van mijn jas.

Een vonk van blijdschap licht op als ik iets voel wat op een mondkapje lijkt. Ik trek het uit de binnenzak. Het is een in vieren gevouwen wit A4-tje. Geen mondkapje. Ik leg het papier naast me op de bijrijdersstoel en rij met chagrijnige snelheid de snelweg op terug naar de Oranjestraat.

Ik schakel de cruise control in op 105 en zet de radio aan. Tears in Heaven van Eric Clapton. De ruitenwissers zwaaien gestaag heen en weer. Mijn blik gaat naar het gevouwen papier op de bijrijdersstoel. Het is maagdelijk wit. Ik word nieuwsgierig of er ook wat op het papier staat. Met de linkerhand aan het stuur vouw ik het met mijn rechterhand open.

Een groot hart gekleurd in alle kleuren van de regenboog. In grote kinderletters staat zijn naam eronder.

Niet zo lang geleden had hij de tekening voor me gemaakt en met een verlegen lach aan me gegeven. Met een aai over zijn blonde haren dankte ik hem en zei dat ik er een mooi plekje voor zou vinden in mijn huis. Ik zucht eens diep.

Ik denk aan de keer dat we samen voetbalden in de tuin onder de grote boom met de schommel. Onverdroten schoot hij de bal keer op keer op het doel van jassen dat ik verdedigde. En ik aan hem nog iets van mijn oude roestige voetbalkunsten probeerde te showen totdat oma riep voor het eten.

Ik moet om mezelf lachen door de herinnering aan de keer dat hij me met stralende blauwe ogen vroeg om met hem te dansen. Dansen voor de tv. Voor het beeldscherm dansten we samen dezelfde dans die twee robotfiguren op de televisie voordansten. Ik, houterige man, die er niks van kon. Zijn ingespannen blik om het heel goed te doen. De blijheid op zijn gezicht.

De blik van verstandhouding tijdens het eten van gebakken aardappeltjes, broccoli zonder saus en worstjes, als moeders zijn kleine broertje een uitbrander gaf.

Soms zag ik ook de pijn, het verdriet in zijn ogen. De pijn en verdriet van het nog maar jonge leven. Dat hij anders denkt dan de kinderen bij hem in de klas.

Zijn verliefdheid voor een meisje, die hij graag wilde delen. ‘Maar je mag het aan niemand vertellen hoor.’ Het doet me zo denken aan mezelf als kleine rooie. Ook delen we onze hekel aan zwemles. De angst voor het water. De angst om het niet te kunnen.

Om te vergeten dwaalde ik af in Pinkeltje en Dik Trom. Hij stort zich in de wereld van superhelden en dinosaurussen. Ik moest alles weten van de Tyrannosaurus Rex. Of ik de Argentinosaurus wel kende. ‘Dat is de grootste van de hele wereld’, zei hij met een blik van de echte dinokenner.

Hoe trots hij was hoe hij mij kon laten zien dat hij al zelf zijn haar kon wassen. Hoe blij hij was dat hij na de gebakken aardappeltjes, broccoli zonder saus en worstjes het toetje, een ijsje voor mij, uit de vriezer mocht halen. Hij gaf me het gevoel dat ik erbij hoorde. Dat ik een van hen was.

Was. Want ineens is hij er niet meer. Niet meer in mijn leven. We hebben geen afscheid kunnen nemen. Wat blijft zijn de herinneringen en een tekening van een gekleurd hart.

Ooit. Als ik hem ooit ergens weer zal zien, waar het ook zal zijn, zal ik hem zeggen dat ik hem een ongelooflijke topper vind.

Dag kleine vriend.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws