Column: Telefoonramp

Ik weet niet of het toeval is of dat ik er gewoon graag mag zijn, maar ik was al voor de vierde keer deze maand in Termunten: vis halen, Noordmannen, er gewoon even ‘deurhin broezen’ en donderdag nog voor opnames van de Ede Staal-podcast.

Met Termunten is iets vreemds aan de hand. Wij als binnenlandse buitenstaanders zeggen op zondagmiddag ‘eem noar Termunten’ en daarmee bedoelen we eigenlijk ‘vis halen’. Tegelijkertijd scharen we daarmee Termunterzijl onder Termunten.

Want naast viskoning Landman in Termunten, heb je viskoning Westerhuis in Termunterzijl. Bij ‘eem noar Termunten’ ga je net zo goed naar Westerhuis als naar Landman. Dus is Termunten voor ons ook Termunterzijl. Wat moakt t oet? hoor ik je denken. Mij niks. Maar ik denk als jezelf ‘van Ziel’ komt, je dat raakt in de ziel.

Van de week was ik echt in Termunten. Midden erop om het beter te zeggen, in een huisje naast de kerk bovenop de wierde. De kerk en de huisjes samengeklit op de bult achter de dijk maakt van Termunten zo’n dorpje waar de tijd stil heeft gestaan.

Hordes lammetjes dartelend op de dijk, ganzen in de vlucht boven de Dollard en de kerk die de hele dag gewoon open is voor Jan en alleman. Tegelijkertijd is Termunten - en om de Zielsters niet te kort te doen - en Termunterzijl een zwart gat.

Een zwart gat waarin veel verdwijnt. In dit geval je telefoonbereik. Ik weet niet of je wel eens op zondagmiddag ‘eem noar Termunten’ bent geweest; lekkerbekjes, kibbeling en haring eten gaat als de beste, maar bellen, appen of - voor de conservatieven onder ons - sms-en gaat er voor geen meter.

4G komt en gaat er als de TM-garnalenkotters in gouden tijden, providers wisselen elkaar af als de vrouwen van André Hazes junior en op je telefoon vliegen de berichten om je oren dat je ‘Welkom in Duitsland’ bent. Nou dat ligt in Termunten nogal gevoelig met die enorme Duitse oorlogsbatterij even verderop aan de dijk.

Nou is die telefonische onbereikbaarheid niet van gister. Dat is namelijk al jaren zo. De Termunters en Zielsters zijn het helemaal zat. Als ze willen bellen moeten ze eerst naar de dijk hun hand met telefoon omhoog steken om een beetje bereik te vangen. Dat is niet alleen voor de dorpsbewoners zo maar ook voor politiemensen, ambulancebroeders en zusters, brandweerlieden, thuiszorgers, noem maar op.

Levensgevaarlijk. Je zou maar 112 willen bellen omdat oude gemaal Cremer in de hens staat en je hebt geen bereik. Ik had twee weken geleden bij de Ol Graitje-remise in Termunten mijn telefoon broodnodig bij de uitzending van Noordmannen. Mijn mobieltje deed helemaal niks.

De plaatselijke visserman schoot te hulp en gaf me zijn wifi-wachtwoord. Die luidde; dijwaitvanvizzenmoutookwaitenvannettendreugen. Wel met een uitroepteken erachter, bezwoer de visserman. Na vijf keer proberen en een lamme hand van het tikken van al die letters van het langste wachtwoord ooit, deed ie nog niks.

Maar eerlijk is eerlijk. Dat lag niet aan het bereik, maar aan het wifi-wachtwoord. De visserman kwam even later buiten adem aanzetten en zei verontschuldigend: ‘Volgens mien vraauw mout der nait ain mor twij oetrouptaikens achter’.

In de herfst van vorig jaar trok eerst de gemeentepolitiek van Delfzijl aan de spreekwoordelijke bel. En daarna ook nog de landelijke politiek in de persoon van Gronings CDA-boegbeeld Anne Kuik. Zij vroeg staatssecretaris Mona Keijzer van telefoonzaken om opheldering over het zwarte telefoongat van Termunten (en Termunterzijl).

Kuik kreeg een maand later antwoord van partijgenote Keijzer. Volgens de bewindsvrouw werd er hard gewerkt aan een oplossing en was er voor haar ‘geen reden om te denken dat er geen oplossing op redelijke termijn is te vinden’. Ze gaf ook nog een tip aan de dorpsbewoners: ‘Houd je vaste lijn’.

Tja, daar heb je het anno 2021 mee te doen. want een oplossing is er een half jaar later nog steeds niet, zo ondervond ik donderdag nog. In het huis naast de kerk van Termunten, waar ik vertoefde, was geen bereik. En ik moest Grietje bellen dat ik wat later thuis kwam, omdat er natuurlijk eerst nog vis gegeten moest worden.

Dus beklom ik slimmerik de toren van het Godshuis. En ja hoor, bovenin kwam 4G mijn gloednieuwe telefoon vanuit de hemel ingestraald. Ik bellen. Ik hoorde Grietje nog ‘Moi laiverd’ zeggen. Daarna hoorde ik helemaal niks meer.

Ik was even vergeten dat het precies vijf uur was en dat de klok in de toren dat ook heel goed wist en daarom vijf keer ging slaan. Ik, die vlak naast die enorme luidklok stond, was stante pede doof.

Ach, dacht ik, er zijn ergere dingen in het leven, toen ik weer met ‘toetende oren’ beneden stond en naar mijn gloednieuwe telefoon zonder bereik keek. Over ergere dingen en telefoon gesproken. Ik heb die gloednieuwe telefoon omdat mijn oude er zomaar mee ophield. Van het ene op het andere moment: om twintig over zeven ‘s morgens.

Het enige wat ik nog in beeld had, was een afgekloven wit appeltje. Verder niks. Alle hulpdiensten konden niets meer voor me doen, zeiden ze. ‘Je telefoon is overleden’.

Op zich niet zo erg, een nieuwe is gauw te verkrijgen. Maar - ik durf het bijna niet te zeggen - er is met de overleden telefoon ook iets verdwenen, behalve foto’s en filmpjes. Op mijn oude telefoon stond namelijk een serie interviews voor een nieuw boek waar ik mee bezig ben. Allemaal weg. Uren aan interviews. Weg. En nog eens weg.

Ik kan wel huilen. Ik kan wel janken. Het is een ramp. Een echte telefoonramp.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws