Instellingen

Column: Tent in de woonkamer

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord

Ik wilde het heel graag. Al heel lang. Maar ik deed het niet. Iets weerhield me om te gaan. Was het de angst voor corona?

Ik weet het niet. Het voelt alsof je heel erg lang vakantie hebt gehad en dan voor het eerst naar school of je werk moet. Je hikt ertegenaan, maar je gaat wel, gewoon omdat het moet.

Nu ik hierover nadenk, is het misschien ook wel het gevoel van een man die schipbreuk heeft geleden en maandenlang op een onbewoond eiland heeft geleefd, wordt gered en weer terugkeert tussen de mensen, in het echte leven met de vrees in zijn lijf of hij het nog wel aankan.

Diep in mij wilde ik graag naar het café, naar een biertje, de verhalen van vroeger, de verhitte gesprekken over de stand van de maatschappij, maar vooral om dom lachen en om dom ‘gekwak’. Maar ik ging niet door dat onbestendige gevoel. Tot vorige week.

Ik kreeg ineens de geest, de moed om er weer binnen te stappen. Ik had er wel een paar biertjes voor nodig. Die had ik genuttigd op een zonnig terras van nummer 147. Even bijpraten met Janneman en daar hoorde ook een goed glas bier bij.

Op de terugweg naar huis, sloeg mijn fiets spontaan de hoek om naar café De Klos. Ik zette mijn Fongers tegen het muurtje achter de herkenbare ultramoderne fietsen van Geert en Riekje. ‘Ah, dij binnen der ook’, dacht ik.

De geur is nog hetzelfde, de tafeltjes, de zitjes, het rookhok dat geen rookhok meer mag zijn, de gokkasten, de barkrukken met bloembakken ertussen voor de corona-afstand, alles is nog precies zo, zoals ik het maanden geleden beneveld heb achtergelaten.

Ook de mensen. Geert en Riekje zitten zoals altijd naast elkaar. Geert, een grote Warsteiner en Riekje een glaasje port. ‘Moi…’ ‘Moi…’ De begroeting is uitbundig.

Riekje praat koetjes en kalfjes met een blonde vrouw, Geert drinkt en discussieert met Divo, die een fladderakje achterover slaat. ‘Aaah moi, maf!’, groet de gepensioneerde kunstenaar mij uitbundig.

Barjuffrouw Jantje schenkt mij als groet haar innemende lach. ‘Eem aine van mie’, zeg ik, een hand opstekend en maak met mijn rechtervinger een cirkel wie die ‘aine van mie’ krijgen.

Ik kijk om mij heen. Willem de makelaar drinkt vriendelijk knikkend naar mij zijn glaasje 7up. De gokkasten zijn - net zo als toen ik De Klos maanden terug heb verlaten - bezet door Mans en Japie.

Mans hoort bij het inventaris van de kroeg. Ik meen te weten dat hij er al was toen de kroeg zo’n veertig jaar geleden de deuren opende. En als ik Mans zie, zie ik een bescheiden vriendelijke man achter een gokkast. Japie, een aimabele man met wit haar en een vlasbaard, zit er de laatste jaren steevast naast.

‘Ik heb hier nog een losse twee euro’, zegt Japie tegen Mans, die het muntstuk aanneemt en in de gleuf steekt.

Japie is een mooie kerel. ‘Moi, Japie take the Bentley’, roep ik naar hem en steek mijn duim op. Dat ‘Japie take the Bentley’ komt van een verhaal dat hij mij ooit eens vertelde. Japie zit in de vastgoed en verdient daar heel veel geld mee en zo verkeert Japie ook regelmatig in rijke kringen in binnen- en buitenland.

Maar er was ooit een tijd dat het minder ging met Japie. Dat zijn zaakjes op zijn zachtst gezegd niet op rolletjes geld liepen. Japie kreeg spontaan hulp van een steenrijke Amerikaan. ‘Japie, come over and stay in my house’, had-ie gezegd.

En zo stak Japie de plas over naar Florida en woonde in een enorme villa met twaalf kamers, met minstens twintig van de duurste auto’s ter wereld in de garage en evenzovele bediendes. Feestje met bekende Amerikanen, met mooie vrouwen, met kaviaar en champagne. Maar Groninger als hij is kon Japie er niet aarden.

Op een dag moest de behulpzame rijke Amerikaan voor zaken naar Mexico. Hij zei tegen Japie dat hij er een een keer op uit moest gaan om de omgeving te bekijken. ‘Japie you take the Bentley’, had hij eraan toegevoegd.

‘Nou, ik heb de Bentley gepakt’, vertelde Japie. ‘En ben er rechtstreeks mee naar het vliegveld gereden’. Japie ging met de eerste de beste vlucht terug naar huis. Hij kon niet zonder zijn Olle Grieze, niet zonder de bloeiende koolzaadvelden, niet zonder het uitzicht op de dijk op Noordpolderzijl, hij kon niet zonder zijn Groningen.

‘Hestoe Jopie nog kint?’, vraagt Geert. ‘Jopie van het tropisch eiland?’, vraag ik. Er wordt instemmend geknikt en zo komt het verhaal op Jopie.

Jopie was een echte kroegman. Het verhaal gaat dat-ie een keer in mijn dorp in het café kwam en vroeg of hij soms even bellen mocht. Kroegbaas Simon had geknikt. ‘Wat kost dat din?’, had Jopie gevraagd. 'n Kwartje was het antwoord van de kroegbaas en hij wees naar het telefoonpotje.

Jopie slingerde daarna heel hard aan de bel, de luidklok, die boven de bar hing en zei toen: ‘Mag ik din wel 'n rondje veur de heule zoak?’

Jopie was op een tropisch eiland in de Caraïben beland toen hij aan het werk ging in de haven van Rotterdam. Hij was in het café aan de haven in gesprek gekomen met een echtpaar. Ze hadden hem gevraagd of hij ook kon varen. ‘Mwoohh’, had Jopie geantwoord. ‘Wat nait kin, is nog noeit gebeurd.’

Een week later voer Japie alleen aan het roer van een luxe zeewaardig jacht van Rotterdam naar de Caraïben. Hij moest het schip van het rijke echtpaar de oceaan over varen zodat zij daar in het paradijs konden rondvaren. En het lukte hem ook nog. Daar aangekomen vond Jopie het er ook een paradijs.

Op één van de tropische eilanden vond hij een vrouw, kocht hij een hotel en voer hij in opdracht bootjes naar het vasteland. Dat had hij beter niet kunnen doen. Zijn eilandvrouw hield het ondertussen met een reeks aan andere mannen en één van de bootjes die Jopie moest overvaren naar Amerika zat volgestopt met drugs.

Het bootje van Jan vol drugs werd onderschept door de DEA, de Amerikaanse drugspolitie. Hoe Jopie ook beweerde dat hij niks van die drugs afwist, ze geloofden hem niet, waardoor hij voor jaren achter de Amerikaanse tralies belandde. Berooid en met veel illusies armer keerde hij jaren later terug naar Groningen.

Jopie had er nooit in gespuugd. Maar teleurgesteld in het leven, teleurgesteld in de mensheid, zette hij het terug op zijn geboortegrond helemaal op een drinken. Eerst bier, toen kopstootjes en ten slotte alleen nog jonge jenever. Dat kon niet goed gaan en dat ging het ook niet.

De laatste weken voor zijn dood bracht hij door in een tent. Die had hij opgezet in zijn eigen woonkamer. Hij kon de tent niet vastzetten met haringen. In plaats daarvan spijkerde hij met dikke spijkers de scheerlijnen van de tent vast op de houten vloer van de kamer.

Geert had hem gevraagd waarom hij in godsnaam sliep in een tent in zijn woonkamer. ‘Krieg’k t ook nait kold’, was zijn antwoord. Uiteindelijk kreeg hij dat wel.

Als ik een onbepaald aantal glazen bier en verhalen later heel moeizaam het slot van de fiets probeer te krijgen, moet ik denken aan de oer-Groninger die aan de andere kant van de wereld de klos was. Een triest verhaal, maar ook wel weer mooi door de triestheid.

‘Wat uw eigen dorp u biedt, zoek dat in den vreemde niet’, denk ik, slingerend fietsend in het donkere straatje naar huis.

Erik Hulsegge