Instellingen

Column: Strijkijzer

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord

Ik weet niet hoe jij het hebt. Maar ik heb een hekel aan strijken. Ik doe ook niet aan strijken. Ik heb niet eens een strijkijzer. Niet eens een strijkplank. Ooit verdwenen met een verloren liefde.

Gelukkig heb ik kleding die zichzelf strijkt. In die zin dat de ergste kreukels na een flinke wasbeurt wegblijven. Maar als ik dan toch ergens onkreukbaar moet verschijnen, is er nog altijd mijn moeder.

Van de week moest ik in blouse en pak naar een bijeenkomst. Op onverklaarbare wijze zat er in mijn nieuwste bezoentje een gekke snit, net onder de borst naast het knoopje links van het midden. Daar kon ik niet mee aankomen bemerkte ik gelukkig de dag ervoor al. Ik naar de reddende strijkengel, mijn moeder.

‘Hij moet eerst opwarmen hoor’, zegt moeders met blije strijkstem over het strijkijzer, blij dat ze iets voor haar zoon kan doen. In de kamer staat de tv geluidloos op de Olympische Spelen. Ik zie een glimp van de verloofde van ‘t wichtje oet Sauwerd’, dat in het hete Japanse water geen potten kan breken.

Op de grote tafel ligt naast de foto van mijn vader een blauw koffertje. Het leek wel iets op een aktekoffertje, maar dan iets groter, dikker en vierkanter. Het koffertje staat open. Erin liggen flink wat vergeelde plakboeken. Erbovenop ligt een plastic mapje met een oude foto en papieren.

‘Heb ik even voor de dag gehaald’, zegt mijn moeder. ‘Moet je dit eens zien’ en ze pakt het mapje. Eerst komt er de foto uit. Daarop zijn vijf lachende meiden gewikkeld in dekens te zien. Achterop staan de namen van de meisjes en een stukje krantentekst over het Nederlands Kampioenschap zwemmen op 31 augustus 1956 in het Mirandabad in Amsterdam.

Sinds 1864 was het niet zo koud geweest op die zomerse dag, meldt het krantenbericht als verklaring voor de in dekens gewikkelde zwemsters. Ik herken mijn moeder als tweede van rechts. Een mooi blij lachend meisje met gitzwart haar.

Intussen heeft mijn moeder de papieren uit het mapje gehaald en open gevouwen. ‘Dat was wat’, zegt ze. ‘Moet je toch nagaan wat een reis’ en ze overhandigt me drie papieren samengebonden door een nietje. In typeschrift lees ik bovenaan in hoofdletters:

AANWIJZINGEN BETREFFENDE DE UITZENDING NAAR DE OLYMPISCHE SPELEN TE MELBOURNE 1956

Het is een brief van het Nederlands Olympisch Comité aan mijn moeder met informatie over de reis naar Australië, de reis naar de Olympische Spelen. Op 11 november 1956 zou mijn moeder als onderdeel van de Olympische ploeg met een Lockheed Constellation naar Melbourne worden gevlogen.

De hele reis met het hele traject Amsterdam-Beiroet-Karachi-Bangkok-Manilla-Biak-Sydney-Melbourne staat getypt beschreven en zou ruim vijftig uur in beslag nemen. Ik schrijf hier 'zou', want die Olympische reis van mijn moeder - met eindstation Melbourne - naar de Olympische Spelen zou er nooit komen. De Nederlandse regering besloot naar aanleiding van de Hongaarse opstand, die de Russen bloedig neersloegen en -schoten, als enige land ter wereld de Olympische Spelen te boycotten.

Mijn moeder, destijds de snelste zwemster ter wereld op de langere afstanden, hoorde een paar dagen voor vertrek dat het Olympisch feest niet doorging. Een klap voor mijn moeder, een klap voor alle Nederlandse sporters, van wie sommigen zelfs al in Melbourne waren. Een klap die nog immer de sportziel raakt.

Ik blader verder in de paperassen. Ik zie kledingvoorschriften en wat er mee moet en mag in de KLM- koffer. Ik kijk naar het blauwe koffertje op tafel. KLM staat er in kleine letters bij het hengsel. ‘In het Olympisch dorp is aanwezig een wasserij, stomerij en kapsalon’, lees ik. Mijn moeder is ondertussen zonder iets te zeggen de kamer uitgelopen om mijn blouse te gaan strijken.

Dan vind ik een Olympische identiteitskaart met een pasfoto van mijn moeder en een stempel van het Olympisch Comité erop. Onderop een krantenartikel met een foto van mijn vader en moeder in trouwkostuum.

‘Europees zwemkampioene Jans Koster getrouwd', staat erboven. ‘Jans Koster, de 21 lentes tellende Europees kampioen op de 400 meter vrije slag en ook recordhoudster op de 1500 meter heet sinds woensdagmiddag mevrouw Hulsegge-Koster’, is de eerste zin van het artikel. Het fotobijschrift zegt wat de foto ook zegt: ‘De gelukkige Jans Koster aan de arm van haar bruidegom Ben Hulsegge’. Schitterende foto, denk ik.

Het laatste papier van het mapje is een artikel uit De Telegraaf uit 2006. ‘Nederlandse regering doet boete aan Olympische Sporters van weleer’. Vijftig jaar na dato, heel veel sporters uit die tijd zijn dan allang dood, verklaart de politiek zich schuldig aan de boycot, schuldig aan deze enorme blunder. Een ongelooflijk domme politieke dwaling die mijn moeder en al haar sportvrienden en vriendinnen uit die tijd het hart heeft gebroken.

In het artikel lees ik ineens de naam van mijn moeder. Ze wordt geciteerd: ‘Als ik nu naar de Olympische Spelen kijk, springen de tranen nog steeds in mijn ogen.’

Ik vind mijn moeder bij de strijkplank in de strijkkamer. Ze houdt mijn blouse omhoog, ‘Weer mooi glad’, zegt ze. Daar kun je weer mee voor de dag komen’. Mijn blik valt op de plank achter de strijkplank, op een klein zwart blikken doosje met in zilver een beetje vergaan het cijfer 11 erop.

Het is me nog nooit opgevallen. ‘Wat is dit?’, zeg ik, wijzend naar het doosje. Mijn moeder pakt het van de plank en maakt het omzichtig open. Ze haalt er een klein antiek strijkijzertje uit. ‘Die had ik gekregen van het Olympisch Comité, voor de Olympische Spelen’, zegt ze zacht. ‘Waarom staat er elf op het doosje?', vraag ik. ‘Geen idee’, en ze haalt haar schouders op.

Lopend in de gang met een gladgestreken blouse over mijn arm, blijft dat cijfer elf maar door mijn hoofd spoken. Mijn moeder zou op 11 november 1956 naar de Olympische Spelen in Melbourne vertrekken. Ze ging niet. Elf jaar later op 11 november 1967 haalde ze mij, kleine rooie baby op in het weeshuis in Stad. Tja, dat ging gelukkig wel…..

Erik Hulsegge