Instellingen

Column: Brand

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord

Er gebeurde de afgelopen week weer van alles in de Oranjestraat. Het ‘schiete-lopt-mie over de-schounen’-virus sloeg hard toe, buurman Schoorsteen brak zijn been en één of andere gozzel van n klonterd reed een deuk in het glanzend zwarte autootje van de overbuurman.

Dat was nog niet alles. Er was meer. Er was brand. Althans, dat dachten velen die de ‘brandweerpiepers’ volgen. En ik dacht dat ook.

‘t Wichtje had een spontaan idee en zo gingen we die middag met de kinderen vrolijk en opgewekt naar het zeestrand van Termunterzijl. Schepjes mee, emmertjes mee. Het was goed toeven tussen zand en slik.

Rozig van wind, slik en zon keerden we terug in haar Zeeheldenhoeske. Na de opgebakken aardappeltjes, sperzieboontjes en gehaktballen van Koning, brachten we de boys naar bed. Het voorleesboekje kwam uit de kast als inleiding voor een heerlijke kindernachtrust. Voorleesmoeder in het midden en de kids vol verwachting ernaast.

Ik hoorde een brandweersirene. Ik kon het niet laten en keek stiekem op mijn telefoon wat er aan de hand was. ‘Brandmelding in de Oranjestraat’, zei het automatische meldsysteem. Ik wuifde meteen de gedachte weg dat het bij mij zou kunnen zijn. Loos alarm, beweerde mijn hersenpan om de voorleesidylle niet te verstoren.

Ik ging mee in het verhaal over een schatgravende kikker en een beer, toen ik in mijn broekzak iets voelde trillen. Telefoon. ‘Overbuurvrouw’ lees ik in mijn schermpje. Mijn hart slaat tien keer over bij de directe conclusie dat er toch brand is in de Oranjestraat, dat er brand is in mijn huis. ‘Toch brand bij mij!’ komt er uit mijn mond en ik neem de telefoon op.

‘Ja moi, met de overbuurvrouw’, zegt de overbuurvrouw. ‘Ze zoeken jou.’ Zie je wel er is brand en ik moet er zo snel mogelijk heen, denk ik. ‘De brandweer en politie en allemaal mensen staan hier voor, thuis.’ Zie je wel. De ramptoeristen kijken mee hoe mijn huis afbrandt. ‘Er is iets met je rookmelder en ze kunnen je niet vinden.’ Een diepe zucht van verlichting aan mijn kant van de telefoon. Gelukkig, geen brand.

‘Ik geef je wel even aan de politie’, zegt de overbuurvrouw. Ik krijg een hele vriendelijke agent aan de telefoon die uitlegt wat er gebeurd is. Buurman en buurvrouw drie huizen verder waren voor mijn huis langs gewandeld en hoorden een snoeihard piepende rookmelder in mijn gang. Als ze door het grote raam de woonkamer in kijken, staat de televisie aan, de computer aan, met een grote drinkbeker ernaast.

Ze vertrouwen het niet en bellen aan. Ten eerste doet de bel het weer eens niet en ten tweede was ik er ook niet, want ik was immers halsoverkop vertrokken voor een middagje zeestrand. Buurman en buurvrouw en nu ook het buurmeisje van drie huizen verder krijgen visioenen van een man die door koolmonoxidevergiftiging in katzwijm onderaan een trap ligt. Ze bedenken zich niet en bellen 112, want daar red je tenslotte levens mee.

Tien minuten later staat de hele straat vol hulpverleners en ramptoeristen. De brandweer krijgt mijn deuren niet open, vliegt over het platdak van de bijkeuken en weet zo via de achterkant mijn huis, want daar heb ik vergeten de deur op slot te doen, binnen te dringen. Alles wat ze vinden, is geen bewoner in katzwijm, maar een piepende rookmelder die ze in een wip en vakkundig demonteren.

‘Kom hier maar even heen’, zegt de vriendelijke agent. Ik scheur in de auto van ‘t wichtje naar de Oranjestraat en laat de geschrokken voorleesmoeder en kroost achter. De politie, de bezorgde buren van drie huizen verder en een plukje ramptoeristen staan er nog. De brandweer is allang vertrokken. Ze zullen wel gedacht hebben: dij klojo.

Ik krijg van de geschrokken buren drie huizen verder nogmaals de uitleg. ‘En de buurtjes waren er ook niet’, luidt het eind van hun uitleg. Dat kon kloppen. De Knutermannetjes leven als een vakantiegod in Frankrijk en buurman en buurvrouw Schoorsteen zijn naar het ziekenhuis met een gebroken been.

‘Hartstikke bedankt’, zeg ik. ‘Stel je voor dat ik er wel had gelegen’. De vriendelijke agent en zijn even vriendelijke jongere collega vragen mij even mee te lopen in mijn huis. Er is niks te zien, behalve een gedemonteerde rookmelder op de trap.

‘We konden je niet bereiken. Ze dachten dat je in stamcafé De Klos zat’, zegt de oudere politieman. Ik moet glimlachen om mijn vooruitgesnelde naam. ‘En ze waren ook een beetje boos dat je niet in de buurtapp zit.’ Ik moet inwendig weer lachen omdat ik merk dat ik er behoorlijk gekleurd op sta in de buurt.

‘Woon je hier trouwens alleen?’, vraagt de oudere agent dan. De bewoner en twee politiemannen kijken tegelijk rond in het huis. De sporen van een man alleen in huis zijn ineens voor mij ook heel helder zichtbaar.

‘Gelukkig was het alleen de rookmelder’, zeg ik, het over een andere boeg gooiend. Ik geef mijn telefoonnummer aan de politieman voor toekomstige calamiteiten. Agent jong en agent oud nemen joviaal afscheid.

Gisteren stond buurman Knuterman met een lachend en gebruind hoofd weer op onze gezamenlijke inrit. De vakantie was zo te zien uiterst geslaagd. ‘Nog wat gebeurd buurman?’ vraagt hij, zoals hij altijd doet als hij is weggeweest.

‘Mwooahh nait veul soeps’, zeg ik. ‘Mor nou’ ve t der toch over hebben. Hestoe ook verstand van rookmelders….?’

Erik Hulsegge

P.S. Oh ja, als je nu nog steeds zit te prakkezeren wie die gozzel van een klonterd was die een deuk in de auto van de overbuurman had gereden. Dat was ik. Fijne zondag!