Instellingen

Column: een reisje naar Tirol

Alice Buitenga
Alice Buitenga © RTV Noord

Deze dagen lees ik The Fortnight in September, een roman van de Engelse schrijver R.C. Sherriff. Het is zo’n ‘herontdekt’ literair juweel, geschreven in 1931, onlangs opnieuw uitgegeven en opnieuw bejubeld door recensenten.

Het boek volgt de familie Stevens tijdens een 14-daagse trip naar de Zuid-Engelse badplaats Bognor. Minutieus beschrijft Sherriff de weinig sensationele vakantie van dit gewone gezin. Hij kruipt in het hoofd van zijn karakters - vader, moeder, drie kinderen - en geeft niet alleen weer wat ze doen, maar vooral wat ze denken. En in die gedachten valt veel te herkennen.

De collega's Alice, Eva, Martijn en Geert Jan vertellen op zondag een mooi verhaal, tot Erik Hulsegge terug is van vakantie. Vandaag is de beurt aan Alice Buitenga.

Dat vakantie stressen is bijvoorbeeld. Neem nou de heenreis. Het gezin gaat met de trein en moet overstappen op het drukke station Clapham Junction. Moeder Stevens is doodongerust dat ze die overstap niet halen. Stel je voor, denkt ze, dat we op het eerste stuk vertraging hebben. Of dat op Clapham Junction een enorme rij staat bij de kaartverkoop. Of dat iemand op het perron vlak voor onze neus flauwvalt in de drukte. Een oudere mevrouw natuurlijk. Die moet je overeind helpen, geruststellen, haar kleren fatsoeneren, haar paraplu oprapen, en ook haar tas en haar bril misschien. Over zo iemand kun je niet domweg heen stappen met de mededeling dat je je trein moet halen…

Muizenissen van de reiziger, ik ken ze. En hoe ouder ik word, hoe zenuwachtiger. Vroeger sliep ik prima de nacht voor vertrek: nu houden doemscenario’s me uit de slaap. Ik draai van mijn ene zij op mijn andere en kan niet echt ontspannen. Bang om te laat wakker te worden, ook al heb ik twee wekkers gezet. Liefst zou ik op dat moment de reis afblazen en lekker thuisblijven: goeie koffie drinken, tv kijken in mijn Zweedse draaistoel, slapen in mijn eigen bed. Maar vluchten kan niet meer, want er zijn treintickets gekocht en berghutten gereserveerd. En mijn gevoel van eigenwaarde staat op het spel.

Dus zit ik op een vrijdagochtend met lichte hoofdpijn en zware oogleden in de trein naar Zuid-Tirol voor een week bergwandelen. Ik begin met bizar vaak checken of ik mijn paspoort bij me heb, mijn betaalpas, de reispapieren, mijn negatieve coronatest. Hoeveel keer moet je zoiets controleren voordat je er gerust op bent? Eén keer is genoeg toch? Nee hoor, zo rationeel werkt dat niet. Drie keer checken - dan pas zijn de demonen verjaagd. Als de ICE plotseling vaart mindert en een tijdje langzaam blijft rijden, grijp ik naar het reisschema: hoeveel overstaptijd had ik ook alweer in Frankfurt? Een half uur. Rustig een boek lezen lukt daarna niet meer, ik blijf op m’n horloge kijken en uitrekenen of we het gaan halen. Niet dat dat helpt natuurlijk, ik mis de overstap grandioos en loop uren vertraging op.

Maar… Drie dagen later sta ik op een 3.000 meter hoge berg en kijk uit over de hele wereld. Zorgen? Welke zorgen? Tijdens de afdaling zweef ik bijna en denk aan Vasalis:

‘Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.’

Het zijn dit soort magische momenten, die vakantie ondanks alles onweerstaanbaar maken. Zoals de zoon van de familie Stevens verzucht als hij na een partijtje cricket op het strand in de zon ligt en de zeewind op zijn gezicht voelt: ‘I say. Isn’t this grand?’