Instellingen

Column: Mien end en mien begun

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord

In de verte op de Dollard glijdt een schip voorbij. Een koppeltje schapen op de dijk staart het loom kauwend na. De lucht is strakblauw. De zon scherpt de contouren van de vogelkijkhut. In het rietveld twee wiegende hoofden van een man en een vrouw op weg ernaartoe.

Het is een van de laatste nazomerdagen. Ik zit boven op de sluis. Voor mij in het haventje schrobt een man met een felgeel jack het dek van een zeiljachtje. Achter mij in de Westerwoldse Aa twee vissende mannen in een bootje.

Mijn benen met aan de voeten zwarte wielrenschoenen bungelen over de muur, armen rusten op de blauwe ijzeren middenstang van het hek. Mijn ogen volgen de man en de vrouw in het rietveld. Ik ben nog nooit in de vogelkijkhut geweest. Waarom weet ik eigenlijk niet, misschien de vrees dat het tegenvalt.

Ik zou er met haar naartoe. Zo spraken we af liggend in het gras op de dijk bij een paarsrode zonsondergang. Het zal niet meer gaan, niet met haar. Ik pers de lippen op elkaar.

Ik voel een hand op mijn schouder. ‘Hest t stoer mejong?’ Ik draai mijn hoofd naar de stem. Een tanige gebruinde oudere man in een zwarte wielerbroek en een ouderwets zwart-wit geblokt Peugeot-shirt kijkt mij vanonder zijn helm vriendelijk aan.

‘Kin je t zain?’ vraag ik met een glimlach. De man zet zijn helm af, wist zich het zweet van zijn voorhoofd en gaat naast mij zitten. Uit de achterzak van zijn shirt vist hij een gevulde koek. ‘Vraauwluu?’ Hij trekt het cellofaan van de koek, breekt ‘m doormidden en reikt mij ook een helft aan. Ik knik als dank en neem een hap.

‘Binnen ie helderziend?’ vraag ik als antwoord op zijn vragende ‘Vraauwluu’. De man lacht zacht. Zijn blik gaat naar de zee, naar het schip dat verder richting Emden is gegleden. ‘Autoschip’, zegt hij met volle mond. ‘Volkswoagens ophollen.’ Zijn arm strekt zich uit richting de Duitse havenstad.

Hij vertelt dat hij van het Hogeland komt, van de wierde met het kerkje. In Lauwersoog is hij die ochtend op de fiets gestapt en over en langs de dijk naar Nieuwe Statenzijl gereden. 90 kilometer. Zijn vrouw komt hem zo halen.

‘Woar ging t mis?’ vraagt de man als hij is uitverteld. Ik weet waar hij op doelt. Mijn hersenen vormen zich een beeld van haar. In de kano op de Ruiten Aa, wandelend op de Punt van Reide, op het terras van Noordpolderzijl, het strand van Schiermonnikoog en nippend aan haar wijn met een oud kaasje en een Spaans worstje op een plankje.

Twee mannen in wielerkleding zitten zwijgend naast elkaar. ‘Tja’, zeg ik de stilte doorbrekend. ‘Zie het n golden haart. Allint kon ze t mie nait geven…’

De man zet een klein flesje met vruchtensap aan zijn mond. Hij drinkt het in een teug leeg. ‘Ain troost mejong’, zegt hij de dop weer op het lege flesje schroevend. ‘Der binnen meer vraauwluu din kerktorens.’

Ik moet lachen. ‘Mor ‘k wait best houstie vuilst’ vervolgt hij en hij vertelt zijn verhaal. Zijn vrouw had wat pijn in de buik. Het zeurde maar door en daarom ging ze toch maar even naar de dokter in het dorp aander kaant Westwiewerdermoar.

De dokter had wat gedrukt, wat geluisterd en haar met een zorgelijke blik doorgestuurd naar het Martini voor verder onderzoek. Kanker, overal uitgezaaid. Twee weken later had hij zijn Mientje naar het kerkhof gebracht, net de vijftig gepasseerd.

De man had amper afscheid van haar kunnen nemen. Het verdriet waarde rond in het huis op de wierde. Dik dertig jaar had hij lief en leed met haar gedeeld en nu was ze er niet meer. Hij had het verdriet weggestopt, met zich meegedragen en zichzelf beloofd nooit meer een andere vrouw in zijn leven te willen.

Hij kon niet wennen aan de stilte, het alleen naar bed gaan, het alleen wakker worden, alleen eten en zelfs bij alleen de krant lezen had hij dat knagende gevoel.

Op een dag, twintig jaar na het overlijden van Mien, was de bel gegaan. ‘Moi Meindert’ had ze gezegd. Zijn ogen werden groot, zijn hart begon sneller te kloppen. Hij had haar meteen herkend. Voske van twee huizen verder op de wierde.

Zijn vriendinnetje van de kleuterschool. Altijd waren ze samen. In de klas, spelend in de zandbak, een stukje meerijdend met kar van de melkboer of salmiak kopend in het leutje winkeltje beneden aan de wierde. In de zomer van de overgang naar de grote school verdween Voske van de ene op de andere dag uit het dorp, uit zijn leven.

Voskes vader werkte voor Shell en kreeg een baan overzee. Nooit had hij haar weer gezien. Nooit. Tot die ene dag. Zestig jaar later, ‘En waist mejong’, kijkt de man mij aan met vochtige ogen. ‘Ik was op slag verliefd en zij ook.’ Ze woonden alweer drie jaar samen in het huis op de wierde.

Ik ben in mijn eigen gedachten als de man opstaat en naar zijn fiets loopt. Ik hoor het geklik van zijn wielerschoenen. Ik kijk hem na. De naast zijn fiets lopende man draait zich plotseling om. ‘Hier ston toch altied n bord van Ede Staal?’ Ik weet meteen waar hij het over heeft. Het bord met de liedtekst van Ede’s Nij Stoatenziel.

Ik leg hem uit dat het waterschap het bord heeft weggehaald maar de belofte om het terug te plaatsen nooit is nagekomen. De man schudt meewarig zijn hoofd. Hij steekt een arm in de lucht als groet. Net als ik denk dat hij op zijn fiets gaat stappen draait de man zich nogmaals om.

‘Nij Stoatenziel is net as n verbroken laifde', zegt hij. ‘Ede zong het al…’ Hij wacht even.

‘Doe bist mien end en mien begun’.

Als ik even later door de polder rij, komt mij een auto, een grote gele Volvo achterop. Vrouw achter het stuur, man ernaast. In het voorbijgaan zie ik een een racefiets in de kofferbak liggen en herken de wielerman bij de sluis. Zijn linkerhand streelt zacht het grijze haar van de sturende vrouw.

Erik Hulsegge

Met dank aan mijn zeer gewaardeerde waarnemers Geert Jan, Alice, Martijn en Eva. t Kon minder!

Nieuwe Statenzijl
Nieuwe Statenzijl © Erik Hulsegge