Instellingen

Column: Rode Chevrolet

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Een stevige kerel met blond haar en roodblozend gezicht loopt door het smalle straatje. Een golden retriever sjokt er met zijn kop naar beneden een eindje achteraan. Het klepperend geluid van de klompen van de man echoot gedragen door de wind tussen de huizen.
Het leven in het dorp op de bult gaat z’n gangetje. Daar is ook wel alles mee gezegd. Ingeslapen zou je kunnen zeggen. Er is niet zoveel meer. Het schooltje heeft jaren geleden de deur gesloten. De deur met gebrandschilderd glas van de kroeg ging vlot daarna op slot.
De bakker, de kruidenier en uiteindelijk ook de smid, die dood gevonden werd in zijn werkplaats, hielden het voor gezien. Zo heeft het dorp alleen nog de twee boerderijen onderaan en de kerk aan de rand van de bult. Een mooie kerk met hoge ramen en een torentje met een paard als windvaan.
In het verleden werd de oude klok die in de oorlog was verdwenen, maar terug werd gevonden en weer in de toren werd gehangen, ook nog door de week geluid. Abraham Peule van het Kerklaantje trok elke middag om twaalf uur twaalf keer aan het klokkentouw als teken dat de dag half voorbij was en nog half in het verschiet lag.
Peule, wiens achternaam heel anders was maar niemand wist, werd geveld door spit en ontdekte bij zijn genezing tegelijkertijd de vrijheid door het ontslag van de dagelijkse luidverplichting. Peule gaf zijn taak als klokkenluider terug en niemand wilde het van hem over nemen.
Alleen op zondag om half tien beiert het geluid van de klok over de bult, de maar en de dikke glimmende klei van het land eromheen. De roep om naar de kerk te komen heeft met het verstrijken van de jaren ook steeds minder gevolg gekregen.
De dominee preekt nog voor een handvol mensen, waarvan het echtpaar Velema ook nog uit het dorp aan de overkant van de maar komt. Alleen rond Kerst en Pasen zijn de kerkbanken voor driekwart gevuld, voor het samenzijn, voor het geloof.
Helemaal vol zit hij nooit meer, behalve als iemand uit het dorp de laatste eer bewezen wordt. Zelfs de klok luidt dan de klanken van het afscheid.
Het afgelopen half jaar was het twee keer raak. Eerst vrouw Hoendervanger van het kleine huisje naast de smid en kort daarna haar neef Eltjo, die op de hoek woonde van het straatje er tegenover. Twee alleenstaande dorpsbewoners op leeftijd die hun partner al lang geleden verloren hadden.
Met het overlijden van de bewoners komt er vers bloed in het dorp. ‘Import’, bromt Peule door het openstaande keukenraam naar Elema, die verderop aan het laantje voorbij het bruggetje woont. ‘Ainzaalms’, bromt Elema terug.
Het dorp krijgt twee bijzondere inwoners. Een vrouw van in de tachtig. ‘Roos hait ze. Zie komt van Amsterdam’, weet buurvrouw Noordhof. Roos die zich ook alleen maar Roos noemt, is flamboyant. Kleurrijke jurken met bijpassende oorhangers met een grote bos zilvergrijs getoupeerd haar. ‘Zie het in t leven zeten’, fluistert buurvrouw Noordhof over de heg naar Elema, die voorbij komt met zijn herdershond.
De andere nieuwe bewoner van het dorp op de bult is een man. Een zonderlinge donker getinte man - ‘een Indootje’ is de kwalificatie van Peule - met grijs haar in een lange vlecht op zijn rug en een sik die in een puntje is gedraaid. Mentari staat op het bordje naast de voordeur.
Een kunstenaarstype die ook kunstenaar blijkt te zijn. Hij schildert grote doeken in zijn woonkamer die hij tot atelier heeft gemaakt en in de zomer horen de dorpsbewoners hem vrolijke liederen zingen en gitaarspelen in de tuin.
Met de komst van Roos en Mentari verandert er iets in het dorp. De gezichten van de mensen komen weer tot leven, alsof iemand een kaars in het donker heeft aangestoken, als een woestijn die tot leven komt na een zeldzame regenbui.
Roos woont er nog maar net als op zaterdagmiddag een grote rode Chevrolet het smalle straatje die het dorp doorkruist in komt rijden en stopt voor het huis van Roos. Een gespierde jonge man met een te bruin hoofd in joggingpak komt eruit gestapt. Lange tijd denkt dat het dorp dat het de zoon van Roos is.
Maar Roos verklapt onder invloed van een hele fles Pino Grigio dat het een gigolo is. ‘Hij komme elke week effe verwenne’, orakelt ze met dubbele tong tegen een met de oren klapperende buurvrouw. Je zou denken dat het dorp er schande van sprak. Maar nee. ‘En dat op heur ol dag’ , klinkt het bewonderend.
Op een zonnige zondagmorgen zit om half tien Mentari in de kerkbank als bezoeker nummer zes. Mentari vraagt na afloop van de dienst of hij de volgende keer zijn gitaar mag meebrengen om te spelen. De dominee stemt in.
De zondag erna zingt Mentari zichzelf begeleidend op gitaar met zijn heldere zuivere stem Amazing Grace en Oh happy day. De kerkgangers en de dominee zijn vol bewondering en gaan met een glimlach de kerk uit. Een week later zitten er tien mensen, de week daarna twintig en een maand later is de kerk afgeladen vol.
Aan de kerkmuur hangen - aan elke kant vijf - grote vrolijk gekleurde doeken van Mentari. Mentari blijkt niet alleen kunstenaar en musicus maar ook wietkweker, ‘Is goed tegen alles’ verkondigt hij al wietrokend tegen zijn buurman, die last heeft van reuma.
Het duurt niet lang of dorpsbewoners - maar ook van ver daarbuiten - met reuma, jicht of andere klachten komen een zakje Mentari scoren. Roos, ondertussen, hangt in het hele dorp baskets met felgekleurde bloemen aan de lantaarns. Ze weet ook haar buurvrouwen te mobiliseren om het oude schooltje om te batterijen tot dorpshuis.
Op vrijdagmiddag is er nu gezamenlijk patat eten voor de dorpsbewoners. Dat er ook een wijntje, biertje of borreltje aan te pas komt, verbaast niemand. Er wordt gepraat, gedold, gezongen en gelachen. Op straat blijft tegenwoordig iedereen staan om een praatje met elkaar te maken en het woord visite is niet vies meer. De kerk heeft weer een tweede dienst op zondag omdat de eerste ‘s morgens steevast vol zit.
De rode Chevrolet rijdt op zaterdagmiddag niet meer door het smalle straatje. Wel kun je een onopvallende blauwe Daihatsu Cuore tegenkomen. En niet alleen op zaterdagmiddag. En niet alleen in het smalle straatje.
Achter het stuur een gespierde man met een te bruin hoofd in een joggingpak.
Erik Hulsegge.