Instellingen

Column: Plakje worst

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Soms wil ik even vluchten uit deze wereld. Een wereld vol angst en onzekerheid, vol boosheid, onbegrip en verdriet. Wil ik vluchten naar een tijd zonder inktzwarte viruswolk, naar een tijd zonder zorg, naar een tijd waarin de wereld er nog simpel uitzag.
Ik kan er niets aan doen, maar ik vlucht altijd naar vroeger. Naar de eenvoud van het bestaan in het dorp. Naar de kleuterschool met de grote zandbak tussen de kerk en de kroeg. Naar de grote school vlak bij de boerenleenbank tussen de kruidenier en het manufacturenwinkeltje. Naar de eerste klas van juffrouw Smit.
Een klas met grote ramen, ouderwetse schoolbanken met het inktpotje en inktpen. Met het ouderwetse schoolbord, waar het krijt op kraste totdat je er ‘de grieze van over de graauwe’ ging. Daarnaast de enorme letterplank met letters en plaatjes van Aap, Noot en Mies, Teun, Vuur en Gijs en de Wei-de, Duif en Scha-pen.
Daar weer boven hing de grote schoolplaat met het aapje hoog boven op de rand van de dakgoot. De oude Teun met zijn grijze baard steekt zijn arm uit naar de aap alsof hij ‘m naar zich toe wil lokken. Het hele dorp is toeschouwer met in de verte de schapen in de wei, een koppel ganzen in de lucht en de bloeiende kastanjeboom tegen de huizen.
Ik kon er uren naar kijken, uren in wegdromen. Het dorp in de schoolplaat leek op ons dorp. Ik beleefde de avonturen van Ot en Sien door juffrouw Smit, die ze voorlas uit 'Nog bij Moeder'. Over kastanjes zoeken, over kaatsebal-ik-vang-je-al, taartjes van zand in het huis van het wasrek en suiker halen voor moeder bij de kruidenier.
Het doet me denken aan die keer dat ik voor moeder naar de slager moest drie huizen verderop. Drie plakken bloedworst, een droge worst en een pond gehakt half om half. Ik was net aan het spelen met Nora, onze Drentse Patrijshond. Ik gooide de tennisbal tegen de muur. Nora ving de bal met dansende oren en piepend van blijdschap op.
Ik had helemaal geen zin om naar de slager te gaan. Moeder stak me met een strenge blik de portemonnee en het boodschappenbriefje toe. Nora bleef achter met de tennisbal in de bek en met de kop door de spijlen van het groene tuinhek.
Bij het openen van de deur galmde de bel door de slagerswinkel. Een grote vitrine met allerlei soorten vlees, achter een muur hoorde je het gehak van de vleesmessen. Vaak kwam de slager dan met bebloed schort om de hoek even kijken wie er was.
Zijn echtgenote, de liefste vrouw van de hele wereld, kwam uit de achterkamer. ‘Wat mout t weden mejong?’ Ik gaf haar het briefje. Ze pakte ‘lopies’ stukken vlees uit de vitrine en verpakte het in witte papieren zakken. ‘Dat is din drij golden ainentwinneg’, zei de slagersvrouw, terwijl ze het bedrag aansloeg op de grote kassa. Ik gaf haar de grote portemonnee.
Ze pakte er drie guldens, twee dubbeltjes en een cent uit en gaf de portemonnee weer terug. ‘Nog n plakje worst mejong?’ Ik knikte en kreeg een dikke plak boterhamworst in de hand gedrukt.
Achter het tuinhek stond Nora nog met de tennisbal in de bek te wachten. Door mijn terugkomst en de reuk van het vlees sprong hij bij het hek omhoog en liet de bal uit zijn bek vallen. Zonder na te denken legde ik de papieren zak met vlees weg, pakte de bal en gooide die het tuinpad op. Nora er achteraan.
Als een volleerd jachthond zocht hij de bal en legde hem weer voor mijn voeten. Weer gooide ik de bal het tuinpad op, maar nu zo hard en ver dat de bal in de sloot achter onze tuin verdween. Nora er achteraan. Nu was onze sloot geen gewone sloot, maar een echte ouderwetse joepesloot. ‘Plons’, hoor ik en dan een grommend blije hond.
Een hond die er bruin en glanzend wit in ging, kwam er donkerzwart van de modder weer uit. ‘Erik, waar ben je!?’ De stem van mijn moeder in de achterdeur. Ik begon ‘m te knijpen. Hoe legde ik dit uit? De hond hield er geen rekening mee en vloog vrolijk kwispelend over het tuinpad naar de stem van mijn moeder.
‘Erik!!!!!’ De boze roepende stem van mijn moeder. Ik sjokte het tuinpad af. In het gezichtsveld van mijn moeder stak ik mijn beide armen verontschuldigend uit. ‘Kon er niks aan doen. Hij sprong er zo in’, zei ik.
De stem van moeder is al niet boos meer als ze zegt ‘nou, dan doen we Nora straks toch samen in bad.’ ‘Waar heb je het vlees? En de portemonnee?’, vroeg ze er meteen achteraan. Vlees? Portemonnee? Ik wist niet meer waar ik ze had gelaten. Ik dacht in de keuken op het aanrecht. Daar lagen ze dus niet. Op de wasmachine in de bijkeuken. Ook niet. Op de vensterbank bij het groene tuinhek. Ook niet. Nu werd mijn moeder echt boos.
Ze stuurde me terug naar de slager, omdat ze dacht dat ik het vlees en de portemonnee daar vergeten was. Ik dacht het zelf ook. Maar de vrouw van de slager schudde met het hoofd. ‘Nee hor, dij hest doe echt zulf mitnomen...’, zei ze bezorgd.
Schoorvoetend ging ik terug naar huis. Met gebogen hoofd, snikkend vertelde ik dat de portemonnee en vlees niet bij de slager waren. Moeder sloeg de armen om me heen en zei dat het wel weer goed zou komen. Samen gingen we verder zoeken.
Op de werkbank in de garage, op de pakjesdrager van vaders fiets in de schuur en in de kruiwagen langs het tuinpad. Nergens te vinden.
‘Help me eerst maar even met dat kleed op het wasrek’, zei moeder en pakte de mattenklopper. Ik hield het kleed vast en zij sloeg. En hard. Door de stevige klappen viel er ineens iets op de grond onder het kleed op het wasrek vandaan.
Een witte zak. Moeder hield op met kloppen en we staarden allebei naar de zak op de grond. En of het zo zijn moest. De portemonnee viel er drie tellen later bovenop. Mijn moeder moest lachen en ik ook. Ik moest van haar gauw naar de slager rennen om te vertellen dat het vlees en de portemonnee weer terecht waren.
‘Och, das ja mooi mejong’, zei de slagersvrouw vol medeleven. ‘Kiek, veur de schrik. Hest nog n plakje worst en ook nog n bot veur de hond…’ Daar kon je in de goeie ouwe tijd de boel nog eens voor kwijtraken. Een bot voor de hond en een extra plakje worst. En het leven ging weer even simpel als eenvoudig door.
Tja. Met een plakje worst hoef je tegenwoordig ook al niet meer aan te komen.
Erik Hulsegge