Instellingen

Column: Doodstil onderaan de trap

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
‘Ik heb gedroomd over trommelen. Trommelen op van die bongo’s in een band aan een tropisch strand.’ Ze zegt het met stelligheid in haar stem. Ik denk meteen aan mijn eigen dromen. ‘Weet je wat dat betekent?’, vraagt ze en kijkt me aan met lachende ogen.
Ik krijg het vermoeden dat ze het antwoord al kent. En dat is ook zo. ‘Dan ben je een vriendelijk iemand die gedijt in goed gezelschap. En je bent iemand met een sterke wil die z’n dromen najaagt.’ Haar blik is een en al tevredenheid. Ze heeft het kennelijk opgezocht in het dromenwoordenboek. Ik kan niets anders dan het beamen.
Mijn gedachten gaan andermaal naar mijn eigen dromen. Ik droom niet zoveel. Althans als ik ‘s morgens wakker word, weet ik ze niet meer. De enige droom die ik me van kortgeleden kan herinneren is die over mijn vader. Ik droomde dat ik aan zijn sterfbed zat. Mijn hand in zijn hand. Hij vertelde, met broze stem, dat hij enorm genoten had van zijn leven en dat ik dat ook moest doen, met volle teugen. Dat hij mij dat ook gunde.
Een droom die niet alleen echt leek, maar die ik ook in het echt heb meegemaakt. Het is nu al weer dik drie jaar geleden dat ik echt aan mijn vaders sterfbed zat en wij spraken over het leven. Dat ik daar nu weer over droom. Tja, dat is best wel vreemd. Ik denk na over de betekenis. Maar kan er 1,2,3 geen verklaring voor geven. Ik zeg niks over mijn droom tegen de vrouw tegenover mij. Een sterfbed is niet het meest vrolijke onderwerp van gesprek.
De dag van de droom krijg ik een mail. Ik zie op mijn telefoon dat het iemand is die reageert op mijn columns. ‘Ik lees ‘m later wel’, denk ik, omdat ik de aardappels, wortels en uien aan het stampen ben voor de hutspot. Mijn blik valt in de mail op het woord ‘ambachtsschool’, de school van mijn vader. Ik leg de stamper op het aanrecht en begin te lezen…..
Op de trappen van de Dr. D. Bosschool krioelt het van de jongens. Het geroezemoes en het geluid van de schoenen op de trappen weerkaatsen tegen de muren van de grote hal. Het is pauze. Jongens met lang haar en spijkerbroeken zoeken zich haastig een weg naar buiten.
‘Hé jong, doe schooier!!!’, klinkt het snerpend van bovenaan de trap. Een jongen met blond onverzorgd haar in armoedige kleren die al een paar treden lager is, blijft staan. Hij draait zich om. Hij weet dat de stem voor hem bedoeld is. Hij kijkt naar de jongen die het roept. ‘Doe verrekte scheernslieper!!!’, roept deze jongen met valse blik nu. Twee andere jongens lachen. Op de trappen en in de hal blijft iedereen staan. Het is plots doodstil in de school.
De blonde jongen kijkt nog eens een keer naar het drietal boven hem. Hij laat zijn leren schooltas vallen, is in drie treden boven, grijpt de scheldende jongen met valse blik bij zijn jas en gooit hem in een beweging naar beneden. Doodstil met zijn gezicht op de stenen vloer blijft hij onderaan de trap liggen. Het is nu ijzig stil. Dan beginnen een paar jongens te schreeuwen en komen twee leraren in gezwinde pas op het gebeuren af.
De blonde jongen met de armoedige kleren wordt meegenomen naar de kamer van de directeur. De jongen onderaan de trap komt weer bij kennis. Zijn verwondingen vallen, op een snee in zijn wang na, mee.
Directeur Van Delden kent geen mededogen en stuurt de blonde jongen per direct van school. Dezelfde dag nog klopt een van de leraren op de deur van de directeur. Hij weet Van Delden over te halen de jongen nog een kans te geven. Hij legt aan de directeur uit wat er gebeurd is en waarom hij het gedaan heeft. Hij doet een goed woordje voor zijn leerling die altijd goed zijn best doet, zich altijd gedraagt en hoge cijfers haalt.
Van Delden strijkt schoorvoetend over zijn hart en de jongen mag na een berisping terugkeren op de ambachtsschool.
Dezelfde blonde jongen in armoedige kleren is nu, tientallen jaren later, een gevierd ondernemer op leeftijd. De leraar die destijds een goed woordje voor hem deed, was mijn vader.
In de mail aan mij legt deze gevierde ondernemer uit hoe dankbaar hij is wat mijn vader een kleine zestig jaar geleden voor hem heeft gedaan. Hij was een jongen van het woonwagenkamp Rijsdam aan de Ruiten Aa tussen Sellingen en Jipsinghuizen, in het hart van Westerwolde.
Een kamp van handelsmannetjes, scharensliepen en schooiers. Ruig volk, dat het niet zo nauw nam met de wet. Een woonwagenkamp waar soms dingen gebeurden die het daglicht niet kon verdragen. De jongen, wiens vader een echte kamper was, wilde maar een ding. Weg uit het milieu. En dat kon maar via een weg. De weg via school. Z’n best doen, zo goed als hij kon en zich als een goede heer gedragen.
Die ene keer liet hij zich gaan. Kon hij het niet verdragen, werd zijn ziel geraakt door de snerpende scheldwoorden van een jongen die een dorp verderop woonde.
‘Als je vader er niet was geweest, was ik weer teruggekeerd in het milieu, in het kamp. Wat zou er dan van mij geworden zijn?’, vertelt hij als ik hem bel over dit opzienbarende verhaal dat ik nooit eerder had gehoord. ’Ik ben hem nog eeuwig dankbaar en dat wilde ik je toch laten weten’, meent de man uit de grond van zijn hart.
Als ik ophang, ben ik ontroerd over het verhaal van de ondernemer die het gemaakt heeft op het Drentse zand. Die - een beetje geholpen door mijn vader - het redde door zijn absolute wil om te slagen, de absolute wil om zijn dromen na te jagen.
Ik vraag me ineens af. Zou hij misschien ook over trommelen dromen?

Erik Hulsegge