Column: Hervonden liefde in het Noorderplantsoen

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
De zon schijnt door het raam van zijn flatje drie hoog. In de verte staat d’Olle Grieze rijzig grijs tegen de strakblauwe decemberhemel. Een koppel ganzen schrijft een langgerekte zwarte V in de lucht.
Achter het glas koestert Edsko de zonnestralen, eindelijk een beetje licht in de donkere dagen voor kerst.
Hij had het de afgelopen maanden niet gemakkelijk gehad. Dit is eigenlijk een beetje op z’n Gronings gedacht, lacht Edsko in zichzelf. Het waren gewoon klotenmaanden. De onrust in zijn hoofd, in zijn hele lijf was nauwelijks te dragen. Slaap was een woord dat uit zijn woordenboek was geschrapt. Eenzaam stond er met hoofdletters in.
De liefde die hijzelf had verbroken, had hem achtervolgd. Twijfel had meester van hem gemaakt. Had hij er wel goed aan gedaan? Was de sprong die hij had gewaagd niet een impulsieve daad geweest? Het was toch eigenlijk niet zo verkeerd? Herinneringen aan de mooie dingen met haar kwamen boven drijven.
Dan voelt hij weer het gevoel dat hij had bij haar. In haar huis met de kinderen, in het dorp wat niet zijn dorp was. Hij was niet meer zichzelf geweest. Stil geworden. Stil in een huis vol levendigheid, wat niet zijn levendigheid was. Zijn vader had hem zo maar op de man af gevraagd of hij wel gelukkig was.
‘Joawaoh...Gaait best zo’, had hij geantwoord. De vraag van zijn vader was door zijn hoofd blijven spoken. Op een nacht was hij naast haar wakker geworden. Hij hoorde haar adem. Ineens de adem van een vreemde. Het bed, de slaapkamer, alles was plots vreemd. Op dat ogenblik had hij het besluit genomen. Nog dezelfde morgen had hij met haar gepraat. Dat het beter was zo.
Hij had via via een flatje in Stad kunnen huren. En daar zit hij nu, drie hoog, met zicht op de Martinitoren. Elke dag is hij blij dat hij weer naar zijn werk kan in het verzorgingstehuis. Afleiding van het duister in zijn hoofd. Daar zorgen zijn collega’s wel voor. Hun pret verdrijft zijn neerslachtigheid.
Een van zijn collega’s, een leuke vrouw van zijn leeftijd, probeert hem al een tijdje te koppelen aan een leuke vriendin van haar zonder dat hij weet wie ze is. Nog niet aan toe, wimpelde hij het steeds halfslachtig af. De onrust, de duisternis in hem is nog te groot.
Tegen pa en ma houdt hij zich groot. Zijn broertje weet wel beter en komt regelmatig even buurten. Een paar biertjes, beetje 'kwedeln' over voetballen, auto’s en over de jongens uit het dorp van vroeger. Broertje is goud, denkt hij.
Hij voelt het trillen van zijn telefoon in zijn broekzak. Appje van de collega die hem wil koppelen. Ze heeft een blind date geregeld. Hij hoeft alleen maar 'ja' te zeggen. Hij moet erom lachen. Voordat hij kan antwoorden gaat de telefoon. Zijn broertje. ‘As je t over de duvels hebben…’, denkt hij.
‘Even runnen morn? t Wordt aibels schier weer.’ Zijn broertje is een fanatieke hardloper. Hij loopt ook wel eens, maar dat mag geen naam hebben. Hij stemt in. Voorwaarde van broertje is wel dat ze door Stad gaan lopen en hij moet het parcours uitzetten. Kilometertje of tien. ‘En nog bedankt voor de felicitaties', besluit zijn broertje en hangt op. Verdold, denkt Edsko, is hij alweer de verjaardag van z’n broertje vergeten.
Hij staart over Stad met de zon in de strakblauwe lucht erboven. Hij krijgt ineens zin om iets te gaan doen. Krijgt zin om weer het leven te omarmen. Door het Noorderplantsoen, is zijn gedachte over het hardloopparcours dat hij gaat uittekenen voor zijn broertje.
Dat uittekenen gaat hij meteen doen, in het echt, op de fiets, door Stad. Voordat hij op de fiets springt, beantwoordt hij het appje van zijn koppelende collega. ‘Regel maar’, is zijn korte antwoord op het voorstel van de blind date.
In het Noorderplantsoen is het druk met wandelende stelletjes en luidkeels pratende en fietsende studenten. Bij paviljoen Zondag, dat eerder ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ heette, met de grote ramen en het vreemde torengeveltje, gebeurt er iets geks.
Hij moet twee meisjes met krulhaar, die arm in arm lopen, ontwijken. Bijna fietst hij een andere vrouw omver. Hij mompelt iets van ‘sorry’. Tien meter verder bedenkt hij dat zij het is. De vrouw die hij een aantal jaren geleden - voor zijn net verbroken relatie - had liefgehad en nooit is vergeten.
Zij had er een einde gemaakt. Ze was er niet klaar voor, had ze gezegd. De veel te vroege dood van haar ouders had ze nog niet verwerkt, was zijn verdrietige conclusie geweest. Hoe zou het nu met haar zijn?, vraagt hij zich af, maar hij rijdt niet terug.
Op de terugweg van zijn ‘hardloopparcoursuitstippelroute’ rijdt hij het Noorderplantsoen weer uit. Over de Plantsoenbrug bij het kruispunt Westersingel-Verlengde Visserstraat moet hij wachten voor de stoplichten. Naast hem staat een vrouw op het voetpad ook te wachten. Zijn hart maakt een sprongetje. Het is zij weer. De vrouw die hij ooit liefhad.
‘Hoi', zegt hij zacht verlegen. ‘Hoi Edsko’, zegt ze terug. ‘Hoe is het met je?’ ‘Wel goed.’ ‘Met jou?’ ‘Ook goed’, lacht ze. Dan springt het licht op groen en moet hij met de stroom fietsers mee. ‘Leuk je gesproken te hebben’, roept ze hem nog na. Hij steekt zijn hand op als groet en kijkt nog een keer achterom in haar lachende gezicht.
De volgende dag, ‘s middags om vier uur, na het hardlopen met zijn broertje, heeft hij de blind date die zijn collega heeft geregeld. ‘Je gaat iets drinken in het paviljoen in het Noorderplantsoen', had ze gezegd. ‘Ze heeft halflang donkerbruin haar en je kunt haar herkennen aan een paarse hoodie.’
‘We zien wel’, had hij stoer tegen zijn broertje gezegd. Maar met de zenuwen in zijn lijf zet hij zijn fiets op slot achter het paviljoen. Met mondkapje op kijkt hij rond in het paviljoen. Hij ziet een vrouw alleen zitten. ‘Goh’, denkt hij. ‘Dat is zij.’ Het is de liefde van vroeger die hij een dag eerder nog hier in het Noorderplantsoen was tegengekomen. Ook toevallig dat zij hier ook net is.
Hij kijkt verder rond, maar ziet geen andere vrouw alleen. Dan gaat zijn bik terug naar de vrouw die hij ooit liefhad. Dan zakt zijn mondkapje naar beneden, valt zijn mond open. Zijn ogen worden groot. Ze draagt een paarse hoodie.
Op haar beurt weet zij nu ook wat er aan de hand is. Ze slaat haar handen voor haar ogen van verbazing en emotie. Ze staat op en ‘het kan niet waar zijn’ stamelend valt ze hem huilend in de armen. Voor altijd.
Erik Hulsegge