Dit was 2021: Wichtje

Martijn Folkers
Martijn Folkers © RTV Noord
De poep zit werkelijk overal. Madame is net in de tummytub geweest en in brandschone kleertjes gehesen. Maar een kind van drie weken oud trekt zich niets aan van het gemopper van papa. Oost-Gronings gemopper, dat wel. Het is klagen met een grijns.
‘Voed je haar wel een beetje met het Gronings op?’, vroeg iemand mij een paar dagen eerder. Dat wordt lastig, de eega is een rasechte Stadse, geboren in de Oosterpoort en niet bekend met het dialect. Bij het eerste bezoekje aan onze familie, een gourmetsessie met Pasen, kwam Sarah pal tussen twee broers in te zitten. Ze had niets van hun gesprekken begrepen, zo vertelde ze me op de terugweg. Ze had braaf zitten meeknikken.
Tot en met oudejaarsdag schrijft in 'Dit was 2021' dagelijks een medewerker van RTV Noord over het afgelopen jaar. Op deze Eerste Kerstdag is de beurt aan Martijn Folkers.
Sindsdien polder ik me een ongeluk. Ze weet al wie de mannen van Wat Aans zijn, kan meedeinen op de deuntjes van ‘Trilploat’ en als ik ‘Mamme van Michel’ opzet, kan ze een glimlach niet onderdrukken. Twee jaar geleden nam ik de schoonfamilie met Kerst mee naar Marcel Hensema. Ze lagen bij vlagen onder de stoel van het lachen.
Ik heb dus missiewerk te vervullen. Dat doe ik met verve. Op de dag van de aangifte bij de gemeente passeer ik ‘t Forum. Snel even een roze rompertje met ‘wichtje’ erop scoren. De kraamhulp meldt dat er ook Groningse muisjes bestaan. Hup, in de tas, en door.
Het eerste Nijntje-boek in ‘t Grunnegs is ook al binnen.
Of het me gaat lukken is de vraag. Qua naam moet het Gronings ook al het onderspit delven. Wanneer ik Truida, Rika of Jantje opper, word ik nog net niet voor het vuurpeloton geplaatst. Ze heeft gelijk ook, de Franse namen uit haar koker klinken bijzonder. En ook een Groninger wil het mooiste voor zijn kind. Ik mag er nog wel Valerie aan toevoegen.
Tussen het verschonen, voeden, wassen en het poetsen van ons huis door genieten we volop, al is de rauwheid van het leven voelbaar. Een bevalling en het herstel is topsport voor mijn vrouw. Het bijzondere is: we voelen ons meer dan ooit verbonden met elkaar. (Al heb ik als nuchtere Groninger ergens ook een hekel aan die term. Een burgemeester moet een ‘verbinder’ zijn, melden alle vacatureteksten. Knoopt-ie dan twee wethouders aan elkaar vast en laat hij ze net zolang zitten tot ze het samen eens zijn? Schei uit. ‘Gewoon joen waark doun’, zou mijn opa zeggen.)
De eerste traditie heeft ze al meegemaakt, slapend in de draagzak. Een kilo kniepertjes bakken, die vervolgens door haar moeder grotendeels zijn verorberd. Ze is selectief in het toeëigenen van het Gronings.
De Stadse invloeden hebben ook zo hun voordelen. Ik praat meer dan ooit over mijn gevoel, wat het met me doet. Maar als het erop aan komt, blijf ik Groninger. Diep van binnen beklijft het gevoel van liefde, nog het mooist bezongen door Ede, de grootste van allemaal. Zijn teksten gaan veel dieper dan alleen ‘houden van’.
‘Zalst doe aaltied bie mie blieven, lutje wicht?’
Tot tranen geroerd kijk ik minutenlang voor me uit. De kleine op schoot, mijn grote liefde op de bank naast me. Dat is nou 1 Korinthe 13 in optima forma.
‘De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.’
Dat elke dag tonen is al een klus op zich. Het is een voornemen als kersverse papa, al wordt die liefde en dat geduld ook op de proef gesteld. De volgende volle luier dient zich namelijk weer aan. Door ‘wichtje’ is een bruine vlek te zien. Om vervolgens over mijn hagelwit overhemd nog maar te zwijgen.
‘Doe dodderd’, lach ik. Ik krijg een tevreden blik terug. Onbetaalbaar.