Gemeente Groningen in conflict met nazaten Joodse familie

De betreffende Villa aan de Kamplaan in1962.
De betreffende Villa aan de Kamplaan in1962. Groninger Archieven/Gemeente Politie (© Foto: Groninger Archieven/Gemeente Politie
Een kleinzoon van een Joods echtpaar heeft een schadeclaim van ruim drie ton ingediend bij de gemeente Groningen. Volgens deze kleinzoon heeft de gemeente het voormalige huis van zijn gedeporteerde en vermoorde grootouders in 1952 voor een te laag bedrag gekocht om het vervolgens te gebruiken als ambtswoning voor de toenmalige burgemeester Jan Tuin.
Vorig jaar is een rapport verschenen over de verkoop van dit huis en de kleinzoon is het niet eens met de conclusies die er in staan en wil dat zijn versie van het verhaal ook in het rapport wordt opgenomen.

Woningroof ongedaan maken

Dit blijkt uit een persbericht van het KRO onderzoeksprogramma 'Pointer'. Dat doet al geruime tijd onderzoek naar de gedwongen verkoop van Joodse huizen tijdens de oorlog. Deze woningen werden vaak verkocht voor een veel te lage prijs. Direct na de oorlog is het Nederland Beheersinstituut (NBI) opgericht om deze 'woningroof' ongedaan te maken en de huizen terug te geven aan de rechtmatige eigenaren of hun nazaten. Maar dat was een moeizaam en langdurig proces en niet iedereen was tevreden met de uitkomsten daarvan.

Villa aan de Kamplaan

Het conflict gaat om een huis aan de Kamplaan 8, in het villapark Helpman in het zuiden van de stad Groningen. Daar woonde tot in de oorlog de Joodse familie Serphos-Menko. In 1941 werd hun huis gevorderd door de Duitsers en in 1944 verkocht aan de 'oorlogskoper' Fokke Beenker. Na de oorlog werd de woning van hem teruggevorderd en in beheer gesteld van het NBI. De enige van het gezin die de oorlog overleefde was dochter Jeanette, die gehuwd was met Tobias van Blankenstein. Volgens hun zoon Hubert van Blankenstein heeft de gemeente Groningen na de oorlog zijn ouders belet om hun intrek te nemen in de woning.

U wordt door niemand verwacht

De ontvangst in ons land van de Joodse overlevenden van de Duitse vernietigingskampen was ronduit mensonterend. Het boek 'U wordt door niemand verwacht' van Michal Citroen is een aaneenrijging van stuitende voorbeelden. De huizen van de overlevenden waren inmiddels door anderen in gebruik genomen en die waren niet van plan om plaats te maken voor de rechtmatige eigenaren. De Nederlandse overheid stelde zich ongekend bureaucratisch op. Daar tegenover staat de enorme inspanning die de NBI heeft gepleegd om 7000 geroofde huizen terug te geven aan de rechtmatige eigenaren, of vaak beter gezegd, hun erfgenamen. Pas in 1967 was dit enorme project voltooid.

De ambtswoning van burgemeester Jan Tuin

In 1951 was het NBI zover dat ze het huis aan de Kamplaan toewezen aan de ouders van Hubert van Blankenstein. Probleem was alleen dat het huis in 1945 door het NBI verhuurd was en de huurbescherming verhinderde om de bewoner er uit te zetten. Volgens Van Blankenstein liet in 1952 de nieuwe burgemeester Jan Tuin zijn oog op het pand vallen en slaagde deze er wel in de huurder te bewegen om te vertrekken. 'Uiteindelijk voelde de familie zich gedwongen het pand aan de burgemeester te verkopen', schrijft Van Blankenstein. 'Nu de kans om de woning ooit zelf te betrekken definitief vervloog, was het ook de enige oplossing.'

Onderzoeken wijzen niets onoorbaars aan

Naar aanleiding van de berichtgeving van KRO Pointer hebben talloze gemeentes onderzoek gedaan naar hun rol bij de aan- en verkoop van Joods onroerend goed tijdens de oorlog. Zo ook de gemeente Groningen. In november vorig jaar verscheen hierover een rapport getiteld: Lege plekken. Hierin komt het huis aan de Kampweg ook voor, maar de onderzoekers zien niets onoorbaars in wat er gebeurd is. Dat klopt, want de gemeente Groningen valt niet veel te verwijten. De vordering door de Duitsers, de gedwongen verkoop, de overname door het NBI, het besluit van het NBI om de woning te verhuren aan een wildvreemde, de trage afhandeling van het restitutieproces, de weigering van de huurder om te vertrekken. Aan al deze zaken, hoe schrijnend ook, had de gemeente part noch deel. Alleen bij de verhuur aan burgemeester Jan Tuin en de aankoop van het huis een jaar later door de gemeente Groningen kun je vraagtekens zetten. Maar wat daar precies gebeurd is, is jaren na dato, nu de betrokkenen al lang overleden zijn, niet meer te achterhalen.

Niet in het rapport? Dan maar een schadeclaim

Kleinzoon Hubert van Blankenstein heeft de gang van zaken rond de verkoop gereconstrueerd en komt tot de conclusie dat het niet deugt wat daar tussen de gemeente, burgemeester Tuin en zijn ouders is gebeurd. Hierover is een mailwisseling ontstaan tussen hem en de onderzoekers en Van Blankenstein wil dat deze mailwisseling, met daarin dus zijn kijk op de gang van zaken in het rapport komt te staan. Omdat de onderzoekers dat weigeren, heeft hij nu een schadeclaim ingediend bij de gemeente van 328.600 euro 'als vergoeding voor de ellende die het gevoerde huisvestingsbeleid van de gemeente aan de familie Van Blankenstein heeft berokkend'.

Reactie van de gemeente

KRO Pointer heeft ook de gemeente om een reactie gevraagd en die reageert als volgt: 'We hebben een aantal malen contact gehad met de heer Van Blankenstein. Deze contacten tonen aan dat dit onderwerp ruim 75 jaar na de Tweede Wereldoorlog zeker ook voor nabestaanden relevant en ook beladen is. Dat maakt ook dat we als gemeente Groningen nogmaals contact zoeken met de onafhankelijke onderzoekers over dit specifieke adres en daar zorgvuldig naar gaan kijken. Op basis daarvan zullen we met een reactie komen, uiteraard in eerste instantie naar direct betrokkenen. Dat betekent dat we op dit moment in de media inhoudelijk niet kunnen reageren', aldus de woordvoerder van de gemeente.