Column: Fles Beerenburg

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Ik heb een behoorlijke drankvoorraad. In de koelkast een fris wit wijntje. In mijn voorraadkast die ooit een koelkast was, enkele goede, soepele rode wijnen en in de hoek van het aanrechtblad naast het fornuis een woud aan drankflessen met de meest exotische namen.
Ik neem je even mee. Grunneger café, Flinten nat, Nummertje Drijenvatteg, Fladderak, Bellingwolder Meulnbitter, Sproakwotter, Molenstad, met een plaatje van Molen Edens uit 1763, de originele Vlachtwedder - met ch - Kruidenbitter, Vlek en Hooghoudt graanjenever, oeroud Pekelwotter. En helemaal achteraan verstopt: Frysk Slokje en een fles Sonnema Beerenburg en dan ben ik ook nog de port, de rum, de whisky en de koffielikeuren vergeten te noemen.
Ik heb zo het gevoel dat bij sommigen hier het water in de mond loopt en bij anderen de gedachte opkomt: ‘Moijje, wat n zoeperd dij man….’
Ik geef eerlijk toe: Ik spij der nait in, ik lust wel een drankje. Maar het gekke is: thuis niet. Ja, ik neem wel eens een wijntje bij het eten of ik haal wel eens een keertje door met een krat bier, maar dat is altijd in gezelschap. Alleen drink ik nooit.
Ik ben echt een gezelligheidsdrinker, denk ik, als ik mijn drankassortiment beschouw. Mijn oog valt op de fles Beerenburg. Die is de uitzondering op de regel. Beerenburg drink ik wel alleen. Maar dat is als ik bevangen ben door de griep of een virus wat erop lijkt.
De oeroude kruidenbitter doe ik dan in mijn anti-griepdrankje dat bestaat uit twee paracetamol, een toetjelepel honing, een uitgeperste halve citroen, een beste scheut Beerenburg met tenslotte daarop kokend water. Je slaapt erop als een doodvermoeide marmot.
In mijn hoofd zie ik ineens het beeld van Piet Paulusma. Onze weerman van de andere zijde van onze grens en sinds vorige week ook aan gene zijde. Piet was de weerman van iedereen, maar ook van de Noordmannen, van Wiebe en mijzelf.
In het zondagochtendradioprogramma van Noord hield Piet - om de week afgewisseld door onze Harma - om kwart voor negen zijn weerpraatje. En zo zou hij dat vorige week zondag ook doen. Wiebe en ik zaten in goed gezelschap aan de stamtafel in kerkje Opwaarts in het zonnige Sellingerbeetse. Hoe het erop kwam weet ik niet zo goed, maar wij hadden het over het Groningse woord lebait.
Dat betekent onwel of ziek. Ik vind lebait denk ik het allerlelijkste Groningse woord dat er bestaat. En sinds vorige week zondag zeker.
Het liep zo tegen kwart voor negen, toen wij vanuit de Mediacentrale van onze technicus Ruben op onze koptelefoon de mededeling kregen dat er nog geen verbinding was met de weerman. Dat gebeurt wel eens vaker, omdat techniek heel weerbarstig kan zijn.
‘Piet is niet te bereiken. Er is geen weer’, klonk even later een gedecideerde stem in onze koptelefoon. Dat was nog nooit eerder voorgekomen. Althans, ik kon mij het niet herinneren. Piet en Harma waren er altijd.
Ik dacht aan een communicatiestoornis of een plotselinge uitval van alle bereik in Friesland, want dat is tenslotte wel het buitenland. Om het ontberen van het weerpraatje uit te leggen aan de luisteraars, zei ik semi-grappig dat de weerman ‘lebait’ was.
Wat wij niet wisten, is dat een doodzieke Piet op dat moment een doodsstrijd voerde. Dat hij een paar uur later zijn mooie leven veel te vroeg verruilde voor de eeuwigheid.
Lebait is een nog lelijker woord dan het ooit geweest is.
Twee weken eerder hadden wij in Noordmannen Piet nog aan de draad. Hij eindigde zijn weerpraatje met een waarschuwing voor nachtvorst en autoruiten krabben, een hint naar Harma’s autoroeten kraben. Ik weet nog exact waar we stonden, toen ik als slotwoord ‘Dank Piet!’ zei, naar nu blijkt het allerlaatste dat ik tegen hem heb gezegd.
Dat was op een bruggetje over een brede bevroren sloot met een leren bal op het ijs in de wijk Ter Laan in Bedum.
Piet werd eind vorige eeuw landelijk bekend door het ijs, door het ijs van de Elfstedentocht. Jaren geleden, ik denk ergens rond 2010, beweerde Piet in een nazomers onderonsje dat er weer een Elfstedentocht aan zat te komen. ‘Tou eem, Piet’, zei ik.
Maar Piet hield bij hoog en bij laag vol dat er die winter een Elfstedentocht zou komen. ‘Daar wil ik wel om wedden’, zei ik. ‘Die komt er echt niet.’ Piet stemde meteen in met de weddenschap, om een fles Beerenburg en zei: ‘Die tocht die komt er.’
Die fles Beerenburg zouden we dan soldaat maken ergens op de Gronings-Friese grens. Die winter kregen we een enorme vorstperiode met temperaturen van 16 graden onder nul. Alleen de vorst zat beneden de grote rivieren en niet erboven.
Als het koufront 200 kilometer noordwaarts had gelegen, hadden we inderdaad die Elfstedentocht gehad. Maar hij kwam niet. En ik won een fles Beerenburg van Piet.
Die heb ik overigens nooit gekregen, bedacht ik toen ik vorige week zondag van collega Wiebe hoorde dat Piet enkele uren na onze uitzending was overleden.
Het is hem vergeven. Het mooie is dat hij op zijn sterfbed aan zijn baas Jan Slagter nog wel even de voorspelling deed dat er over vier jaar weer een Elfstedentocht komt.
Als dat zo is, reis ik met een fles Beerenburg af naar de Gronings-Friese grens, naar de Leegte vlak voor Halfweg, naar de brug over de Olde Lauwers en zal daar een goed gevuld glas naar de hemel heffen en zeggen:
‘Oant moarn Piet…’
Erik Hulsegge