Column: De moeder van Ameland

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
De zon schijnt door het raam van de bus als we veerboot Oerd en het gekrioel van bepakte mensen, taxi’s en bussen achter ons laten. Naast mij ‘t wichtje. Hondje zit met de tong uit de bek op haar schoot. Door het glas zie ik het eiland aan mij voorbij glijden.
Met de beelden van de dorpjes met de terrasjes, de winkeltjes, de geparkeerde fietsen, de kerkjes, de molen en de vuurtoren, fel afgetekend tegen de strakblauwe lucht, komen ook de herinneringen.
Als lutje rooie bouwde ik met vader zandkastelen op het strand, prikte voor het eerst in een kwal, verzamelde schelpjes en ‘scheermessen’ in mijn blauwe emmertje met rood hengsel en hoorde vol respect het gedonder en geruis van de golven.
Ik ging er op voetbalkamp in een kampeerboerderij waar de ‘zundoagse boksem’ van onze trainer in de hanenbalken werd gehangen en aan het eind van mijn tienerjaren werd ik dronken in Ambla omdat ik een meter bier moest opdrinken na een gewonnen weddenschap met de barkeeper. Die zei op een zonnige julidag dat we voor middernacht geen regen kregen. Ik hield stug vol van wel en kreeg gelijk want om tien voor twaalf kwam het met bakken uit de hemel.
En ik kreeg in mijn roerige twintiger jaren in de Dug Out anschluss met een meisje van Ameland. Ze troonde me midden in de nacht mee naar huis. Haar vader kon mijn nachtelijke visite niet zo waarderen en joeg me het huis uit.
Het komt allemaal voorbij in mijn hoofd in de bus met ‘t wichtje en hondje op schoot naast me. In Hollum rijden we door de smalle straatjes langs de kerk, De Zwaan, de supermarkt en verzorgingstehuis De Stelp om aan de overkant van de weg bij ons eindstation te belanden.
Met rolkoffer aan de hand en weekendtas over de schouder en een hond aan de lijn bereiken we lopend het vakantiehuis met konijnen in de tuin en zicht op de vuurtoren.
Een half uurtje later bevinden we ons op het strand. Het lichte zand stuift als een glijdend mozaïek in vliegende vaart over het donkere strand. Hondje deert het allemaal niet, dartelt in de branding en jaagt luidkeels blaffend op de strandlopers en rolt zich vrolijk in het skelet van een dode zeemeeuw.
Hondje ligt na het avondeten uitgeteld in zijn mand onder tafel en wij spelen erboven met een fles goede rode wijn Keer op Keer, Qwixx en Beverbende. Onze wangen beginnen te gloeien en rozig vallen we met hondje aan ons voeteneind in slaap.
Midden in de nacht word ik ergens door gewekt. Ik weet niet wat. Hondje ligt nog steeds half snurkend aan het voeteneind en ik hoor de regelmatige ademhaling van een slapende vrouw naast mij.
Ik denk dat ik dorst heb en glij slaapdronken voorzichtig uit bed. In de kamer voor de open koelkast staat er ineens ook een hond naast mij met een blik: wat zijn wij aan het doen. Ik pak de grote fles Spa Rood en zet ‘m aan mijn mond.
Plotseling wordt het fel licht in de kamer. Alsof er een auto met groot licht voorbij rijdt. In de donkere nacht is er op het vakantiepark in geen velden of wegen een auto te zien of te horen.
Vuurtoren, denk ik, als ik me omdraai en door het grote raam naar buiten kijk. Ik weet niet wat ik zie. Achter de draaiende lichtbundel van de vuurtoren is de hemel een zee van licht. En soort van Noorderlicht, alsof een schip op zee een enorme lichtkogel heeft afgestoken. Gefascineerd staar ik naar de eilandhemel. Hondje kijkt met voorpoten op de rugleuning van de bank met mij mee.
Als ik de volgende morgen wakker word, denk ik dat ik het gedroomd heb en zeg niks als ze mij vraagt of ik ook lekker heb geslapen. ‘Heerlijk’ , zeg ik zonder te liegen. 'Woef', zegt hondje, dat een ontbijt in het verschiet ziet.
Met z'n drieën aan het ontbijt met tosti en gekookt eitje begint ergens in de verte een kerkklok te luiden.
‘Zal-ie stuk zijn’, vraag ik me hardop af , als de klokken na een half uur nog beieren. Aan de andere kant van de tafel wordt schouderophalend gereageerd. ‘Het is toch gewoon donderdagmorgen?’ Ik krijg geen reactie. Hondje wel. Die krijgt een half ei toegestopt.
In herberg De Zwaan in Hollum onder het genot van een kop koffie met nobeltje ernaast krijgen we die middag antwoord op het klokgelui. Aagje is dood. Aagje was de oudste bewoner van het eiland. En niet alleen de oudste van het eiland, Aagje was ook een begrip voor iedereen met het eilandgevoel. Daarom een uur lang klokgelui. Voor haar.
Aagje was van Gooi en Aagje en Gooi waren de Amelanders onder de Amelanders. Gooi Visser was beurtschipper en tientallen jaren schipper van de reddingsboot van Ameland. Met zijn bemanning redde hij 138 mensen van de verdrinkingsdood.
Onder Goois schippersschap beleefde Ameland een van de grootste drama’s uit de geschiedenis. Op 14 augustus 1979 verdrinken in vliegende storm acht paarden. Dat gebeurt bij de lancering van de reddingboot. De dieren worden als de reddingboot al is weggevaren met de plotseling kantelende bootwagen meegesleurd in de golven.
Gooi Visser en zijn bemanning krijgen er niks van mee. Pas als ze met drie geredde Duitse opvarenden van een zeiljacht terugkomen op het eiland horen ze wat er achter hun rug gebeurd is.
Gooi was 18 en Aagje 14 toen ze op het eiland verkering kregen. Ze kregen drie dochters, en nog veel meer kleinkinderen en achterkleinkinderen. 75 jaar later na de eerste zoen eindigde met de dood van Gooi hun relatie, maar niet hun liefde.
Aagje had het zwaar met het verlies. Ze stortte zich op het breiwerk. Volgens de overlevering kon ze vliegensvlug en zowel rechts als links breien. Dag in dag uit, tikten de breipennen. Totdat ze niet meer kon en uiteindelijk aan God vroeg om haar in armen te sluiten. Dat deed hij op donderdag 21 april 2022.
Aagje Visser werd bijna 100. Ze was een begrip, een sterke vrouw, een mooi mens. Maar vooral moeder. Een zorgzame moeder, oma en opoe die bonen dopte, garnalen pelde, de pan met soep opzette en alle logerende kinderen instopte in een strak opgemaakt bed.
Aagje Visser was dé moeder van Ameland.
Ik wens alle moeders een hele fijne Moederdag

Erik Hulsegge