Column: De vloek van een sprookje

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Mijn billen doen pijn van het lange zitten in een rolstoel. Mijn hoofd rust op mijn schouder. In mijn gezicht voel ik het felle licht van de lampen boven mij. Achter mij hoor ik de muziek van het orkest. Om me heen dartelen een jongen en een meisje in pyjama.
Heb ik iets teveel gedronken? Iets te lang gelurkt aan een pretsigaret? Of droom ik een meest bizarre droom? Niets van dit alles.
Ik zit in die rolstoel op het toneel van theater Sneek, een klein modern theater met oude uitstraling. Zo langs het water vlakbij de beroemde Waterpoort is het een blikvanger van de eerste stad in de route van Frieslands tocht der tochten.
Wat doet een Groningse verhalenverteller op een Fries theaterpodium? Dat is simpel: een verhaal vertellen. Of in dit geval: een sprookje. Ik doe namelijk mee aan de voorstelling ‘Once upon a time in the North…’ ‘Der was ains…Er was iens….Der wie ris’.
Hoe ze me hiervoor hebben weten te strikken? Geen idee, maar ik heb wel ja gezegd. In die voorstelling worden drie bekende sprookjes van de Duitse gebroeders Grimm uitgebeeld in toneel, muziek, zang en vertelling.
En dat in verschillende talen en dialecten. In het Gronings, Drents, Fries en vleugjes Rotterdams en Italiaans. De muziek is van het Noord Nederlands Jeugd Orkest, het toneelspel komt van supertalenten Sarah en Wessel, de zang is van een stemmig kinderkoor, van Piter, de Friese levende Ede Staal, en van Martijje, de Drentse Wia Buze.
Beerenburg Piter en Hunebettie Martije zijn behalve zangers ook vertellers. Ik ben dus ook verteller maar nadat ze me drie woorden hadden horen zingen, kreeg ik meteen een zangverbod opgelegd. Dus ben ik verteller zonder verdere noten op zang.
Fries Piter vertelt Roodkapje in het Fries en dat wordt dan Readkapke, Martije maakt van Repelsteeltje Oegemannechie in het Drents en ik van het Groningse Doornroosje eenvoudig Doornrooske. En van mijn kant verder dus geen enkele noot op zang. De regisseur moet slapeloze nachten hebben gehad hoe ze aan mijn rol verder invulling kon geven.
Ik denk dat ze op de derde nacht dat ze tot half vijf wakker lag, heeft bedacht dat ik moest slapen. En dus slaap ik de halve voorstelling in een rolstoel als oude opa met ouderwetse en te grote opasloffen aan mijn voeten.
Het is dinsdagavond, generale repetitie, als ik dus zogenaamd lig te slapen op het toneel van Theater Sneek, maar daar zegt men Snits. Om mij heen gebeuren vreselijke dingen met Roodkapje, de boze wolf, Repelsteeltje en een verscheurde baby.
Onder het gordijn van mijn wimpers zie ik de jongens en meisjes van het kinderkoor zingend op de rand van het toneel zitten. Een klein blond meisje kijkt nieuwsgierig stiekem achterom om te zien wat er op het toneel gebeurt en vergeet dan helemaal te zingen.
In combinatie met de muziek van het NNJO achter mij is het zo aandoenlijk, dat ik een brok in de keel krijg. Over mijn rug trekt een spoor van kippenvel die in mijn nek blijft hangen.
Ik spits mijn oren om de stemmen van de kinderen te horen en te weten wanneer ik mijn verhaal van Doornrooske in moet zetten. Tegelijkertijd komt de gedachte boven dat ik eigenlijk helemaal geen sprookje mag voorlezen. Dat zit zo.
Er was eens een student op de Pedagogische Academie voor Basisonderwijs. De jongen had rood haar, met wangen vol rode puisten en bruine sproeten. De Academie vond dat de eerste schreden van het onderwijs bij de kleuters moesten worden gezet.
En zo reed de jongen die Erik heette zijn oude Fongers-fiets over Beneden Veensloot, Duurkenakker en Egypteneinde naar de Verkruisen-school in Muntendam. Daar werd hij door Juf Oldenziel voor een klas met 32 angstaanjagend gillende kleuters neergezet. En die dreven de jonge meester tot pure wanhoop.
Een meisje met staartjes moest haar veters gestrikt, een dikke jongen met blauwe trui moest heel nodig poepen en riep daarna heel hard: ‘Klaarrrr!!!’ Twee jongens met matje in de nek gooiden elkaar met blokken om de oren. Een klein meisje met een stuutsiekoorn rokje kwam huilend naar meester Erik om te zeggen dat ze door Truusje aan de haren was getrokken. En de kleine stille Ebelientje zong plots heel hard: ‘Meester Erik de Perik, de Poepchinees!’
In die chaos bedacht meester Erik een list om 32 gillende kleuters stil te krijgen. Hij nam het sprookjesprentenboek van zijn oma mee naar school en las de kinderen voor uit de Wolf met de zeven geitjes. Hij las het verhaal zo levensecht voor dat de kinderen doodstil zaten te luisteren. En vervolgens gilden van angst toen de wolf zes van de zeven geitjes opat.
Zo, dacht meester Erik, nu heb ik de kinderen eindelijk stil en gehoorzaam. En besloot hij elke dag een sprookje voor te lezen. Daar stak Juf Oldenziel een stokje voor. Ouders hadden massaal bij de juf geklaagd dat hun kinderen geen oog dicht deden en nachtmerries hadden over hongerige wolven en opgegeten geitjes.
Van Juf Oldenziel moest meester Erik beloven nooit meer een sprookje voor te lezen want anders zouden er ongelukken gebeuren. In ruil daarvoor zou zij zorgen dat de kinderen ook naar hem zouden luisteren. En zo geschiedde……
De kinderen op de rand van het Sneker toneel zijn uitgezongen als ik begin aan mijn verhaal van Doornroosje. Ik ben nog niet bij het spinnewiel of ik hoor vlak voor mij een enorme schreeuw van pijn. Een van de jongetjes van het koor is van het podium gevallen en zit muurvast geklemd tussen theaterstoel en leuning. Tranen van pijn lopen over zijn wangen.
Hij wordt uit zijn benarde positie bevrijd door de moeders van het koor en de hoeders van het Snitser theater. Ik moet denken aan mijn belofte aan Juf Oldenziel uit Muntendam. Maar houd me wijselijk stil. Na afloop praat niemand er meer over en ik ook niet.
Vanmiddag is om half vier in Martiniplaza alweer de laatste opvoering van deze unieke sprookjesvertelling waarin Friezen, Drenten en Groningers in hun eigen taal samenwerken. Een noordelijke samenwerking tussen drie volkeren is al heel vaak mislukt. Deze niet.
Misschien komt u ook wel kijken. Al was het alleen maar voor de fantastische muziek spelende jongeren en de aandoenlijk zingende kinderen. Al was het maar voor dat ene ongelukkige jongetje. Voor mijn gezang hoeft u dus niet te vrezen en voor ongelukken door een vloek van Juf Oldenziel ook niet.
Het was tenslotte maar een sprookje.

Erik Hulsegge