Column: Ik gaai vot

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Inderdaad, zoals de titel het zegt: Ik ga weg. Bijna een kwart eeuw beleefde ik er lief en leed, hoge pieken, diepe dalen, leerde ik er de lessen van het leven. Maar zomaar op een dag komt er een gouden trein voorbij, en zonder er goed bij na te denken spring je erop.
Voor de mensen die nu denken dat ik wegga bij Noord: die moet ik teleurstellen. Nee, ik ga niet weg bij Noord maar weg uit de Oranjestraat. Ik ga nummer 13 verlaten.
Eind vorige eeuw trok ik in de twee-onder-eenkapper met met mijn geliefde van toen. Een huis uit 1918 in een rustig straatje vlak achter de binnenstad. Een huis waar ooit mensen op stand woonden met een dienstmeisje in de kost. Dat stand was er al lang van af. Maar met z’n tweetjes zouden we er wat moois van gaan maken.
Jeugdige romantische plannen voor een gezin met een paar bloedjes van kinderen, een mooie carrière, een dikke auto in de garage. Die laatste is er wel geweest. Ooit stond er een dikke Citroen XM op de oprit. Maar die moest ik weg doen, want mijn salaris was niet toereikend voor die enorme rits aan reparaties.
Het gezin kwam er op een of andere manier ook niet. Ik verloor mezelf in een jarenlange stekende pijn in m’n rug, waar niemand - tot aan de hoogste geleerden van het UMCG - een antwoord op had. Die pijn maakte mij een ander mens en dat maakte ook dat de liefdesdroom uiteenspatte.
De dromen behield ik maar de liefdes erna hielden geen stand. Maar nu is er een nieuwe liefde in het leven die hopelijk voor eeuwig zal duren. ‘Gelukkig maar dat muren niet kunnen praten’, zei mijn broer van de week. Als ze het wel zouden kunnen, dacht ik, zouden ze hikkend van het lachen verhalen over al mijn hachelijke avonturen.
Ik sloot me een keer buiten door de voordeur achter me dicht te gooien terwijl de sleutel nog in het huis lag. Op zich overkomt iedereen dat wel eens. Maar ik herhaalde de klunzigheid twee uur later nog eens. Twee keer in twee uur een beroep doen op een ander om mezelf weer in mijn eigen huis te krijgen. Tja.
Ik reed met mijn auto achteruit over mijn eigen sporttas die ik al vast had klaargezet op de oprit. Op zich ook niet zo erg ware het niet dat er een gloednieuw tennisracket in de tas zat van 339 gulden. Die kon het gewicht van de auto niet dragen en brak in twee stukken.
Of die keer dat ik op mijn racefiets de oprit kwam opgereden en even vergeten was dat mijn voeten vast zaten aan de pedalen en ik pardoes omkieperde en ondervond hoe hard de stenen van de oprit zijn.
Of al die keren dat ik midden in de nacht met een schepnet door het huis zwalkte omdat een van de katten ons een levende muis cadeau wilde doen en de muis helemaal geen zin had om als cadeau te dienen. Ooit had ik drie katten. Drie rooie ook. Twee overleefden hun nieuwsgierigheid naar de rest van de wereld niet en werden gegrepen door een auto.
Tommie was de laatste kat die ik bezat. Een mooiere, leukere, grappigere je-weet-wel-kater heb ik nooit gehad en zal ik ook nooit meer krijgen. Hij achtervolgde me tot aan mijn stamkroeg, hij kroop immer tegen me aan als ik ziek was, hij sprong keihard miauwend in mijn armen als ik terugkwam van vakantie.
Ik zal het moment nooit vergeten dat Tommie me voor hij in mijn armen stierf me nog een keer aankeek met een blik van: het gaat niet meer maar wat hebben we het mooi gehad. En zo kan ik nog wel even doorgaan met herinneringen. Herinneringen aan het leven in een huis. Een mooi huis. Die herinneringen blijven, ook als je weggaat.
Het besluit om weg te gaan nam ik impulsief, maar daarvoor had het al heel lang gesudderd in mijn hoofd als mals draadjesvlees in een dikke laag jus. Als je dan zo’n besluit neemt en het huis te koop gaat zetten, moet je het op een gegeven ogenblik ook wereldkundig maken.
Aan mijn moeder, mijn vrienden en aan de buurt. Maar voor de buurt was het soms niet eens nodig, want alsof de muren wel kunnen praten. Velen in de straat wisten het al voordat ik iets kon zeggen. Gertje Smederij kwam eem langs om te zeggen dat hij het erg jammer vond, vooral omdat hij dan geen verhalen meer uit de Oranjestraat zou kunnen lezen.
Buurman Schoorsteen vond het echt zonde en wenste mij het allerbeste. Overbuurvrouw Toeter (ik weet haar naam niet maar ze wordt altijd opgehaald door haar toeterende golfvriendin) was vol begrip. Er was niet altijd begrip. Bevriende makelaars waren zwaar teleurgesteld in mij dat ik hun niet als verkoophandlanger had gekozen.
Ik kan me er iets bij voorstellen, maar ik heb tenslotte maar een huis om te verkopen. De allereerste die ik het vertelde van mijn vertrek was ook het moeilijkste. Ik heb er zeker een paar dagen tegenaan gehikt. maar Ik wilde niet dat hij het van een ander zou horen.
Toevallig kwam hij net, het was zo rond etenstijd, de straat ingelopen met hond Pipo. ‘Hou ist buurman?” vroeg ik. ‘Ja best. Vanommedag eem bootje voaren’. Buurman, buurvrouw en buurwichtje Knuterman gingen er een mooie middag op het water van maken.
‘Gaaist ook nog wat doun?’ vroeg buurman Knuterman. Mijn hart kromp even ineen bij de gedachte dat ik het nu toch echt moest gaan zeggen. Even was er nog de twijfel of ik het wel zal doen. Maar toen floepte uit mijn mond: ‘Joa, ik gaai vot. Ik gaai mien hoes verkopen…’
Het werd doodstil. Hond Pipo ging languit op de oprit liggen. De mond van buurman Knuterman zakte langzaam open. ‘Mainst nait’, was zijn antwoord. In zijn stem klonk hoop dat ik een grapje maakte. Ik knikte dat het toch echt zo was: ‘Moandag komt bord in toene.’
Buurman Knuterman vatte het sportief op en vond het wel dapper van me. Later hoorde ik dat het bootje varen niet meer door was gegaan en dat buurwichtje Knuterman moest huilen, toen ze hoorde dat Buurman ging verhuizen.
Nu staat er dus een bord in mijn gazon met heel groot ‘Te Koop’ erop. Afgelopen vrijdag waren er dertien kijkers. Dertien mogelijke nieuwe bewoners van nummer dertien. Twee keer dertien moet haast wel geluk brengen.
Ik heb er in ieder geval altijd met ongelooflijk veel plezier gewoond en bovendien, degene die er straks komt te wonen weet een ding zeker: Je hebt de beste buren van de hele wereld.
Erik Hulsegge