Column: Plastic kaartje

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
'We kunnen wel even door de straat gaan.' Lief en ik wandelen vrijdagavond naar mijn moeder aan de andere kant van de binnenstad en zij ziet een kans om me mee te tronen langs de winkels. In mijn goed humeur stem ik in.
Via het Marktplein, langs de toren, de chocolaterie en de bakker komen we bij de boekwinkel. Automatisch loop ik bij de Timmermansen naar binnen. Even strunen, neuzen naar een boek voor de vakantie. Lief wil ook een boek voor aan het strand. Dat past dus precies.
Ofschoon het etenstijd is, is er behoorlijk wat boekenvolk. De dikke van Marcel van Roosmalen, de nieuwe van Jo Nesbø en een oudje van Deon Meijer glijden door mijn handen. Ideetjes genoeg voor een goed vakantieboek.
Stiekem nieuwsgierig dwaal ik af naar het Groninger schap. ‘Eem kieken’ of Engel er nog ligt. Engel ligt niet meer in zijn schap. ‘Als je ze kent’ van Fieke Gosselaar ligt er voor in de plaats. Waar ik ook kijk. Geen Engel. Mijn hart maakt een blij sprongetje. Engel, mijn zelf geschreven boek over oer-communist Engel Modderman, is ‘restlos ausverkauft’.
Een gevoel van trots gloeit van binnen, als ik achterin de winkel gemurmel hoor. Een oude gerimpelde man met kort haar in een vaal T-shirt en korte broek staat bij het pinapparaat. Naast hem staat een van de Timmermansen. De man met pinpas in de hand bromt wat en de boekenman naast hem spreekt helpende woorden.
De man probeert geld te pinnen maar de machine spuugt niks uit. Hij toetst zenuwachtig nog een keer een nummer in. Er gebeurt niks. ‘Hebben ie wel t goie nummer?’ vraagt de boekenman. De man bromt weer wat.
Dan komt een oud klein vrouwtje erbij staan. ‘Woar hest dien code din?’ De man frommelt wat in zijn portemonnee en haalt er papiertjes uit. De vrouw bekijkt ze een voor een. ‘Dit mout hom weden’. Opnieuw drukt de man op de piepende toetsen van het apparaat. Weer niks.
Mijn gevoel van trots maakt plaats voor medelijden. Medelijden met de oude man die met een lege portemonnee de winkel verlaat. ‘t Is toch wat’, denk ik. Je bent oud en leeft in een tijd waar je bij een bank geen geld meer kan krijgen of een bank er niet eens meer is. Een tijd waar je afhankelijk bent van een plastic kaartje en een code.
De gedachte mijmert nog wat na in mijn hoofd als we vijf minuten later de drogist binnenlopen. Lief heeft nog verwijderaar van de opmaak nodig. Of zoals zij het zegt: ‘de riemoever’. Ze loopt meteen door naar achteren. Ik blijf staan bij de deodorant. Vijf bussen okselfris voor een tientje. Die kan ik niet laten liggen en met mijn handen vol ‘zwaartwidde buskes’ ga ik in de rij bij de kassa staan.
Voor mij staat een oude man met baard en rollator. Hij heeft een strohoed op zijn hoofd en heeft wel wat van Gepetto, de oude schoenmaker van Pinokkio. Op de toonbank ligt een nieuwe strohoed die je kennelijk ook bij de drogisterij kan kopen.
De man trekt zijn zwartleren portemonnee uit zijn achterzak en vist er met trillende handen een pasje uit. ‘Dat is dan tien euro mijnheer’, zegt een vriendelijk lachend meisje met mooie witte tanden achter de kassa. De man steekt het pasje in het pinapparaat en toetst vier cijfers in. Het apparaat begint vals te piepen ten teken dat de transactie is geweigerd.
‘Probeert u het nog maar even een keer mijnheer’, zegt het meisje nogmaals vriendelijk. Weer een vals gepiep. Weer bekruipt me een gevoel van medelijden. Helemaal als de man zijn rollator gedesillusioneerd zonder nieuwe strohoed de winkel uitduwt.
Twee winkels, twee oude mensen in twee kwartier die geen geldtransactie kunnen doen. Hoeveel mensen in de wereld zouden er zijn dat die hetzelfde probleem hebben? En ondertussen worden we door de banken, de winkels en de overheid naar een nog groter digitaal leven gejaagd.
Een leven waarin je afhankelijk bent van een plastic kaartje en vier cijfers.
Ik word er triest en tegelijk boos van. Om een plastic kaartje was ik een aantal jaren geleden ook een keer boos in Italië. We hadden een reis geboekt naar het idyllische Toscane, aan de kust, naar Castiglioncello. Mooi goedkoop met Ryanair naar de luchthaven van Pisa met de scheve toren en dan met een huurautootje door de goudgele glooiende heuvels en de cipressen naar de plaats van bestemming.
Het vliegen ging mooi, de landing was zacht en het weer was als een zalfje. De vakantiestemming zat er goed in tot wij bij de autoverhuur kwamen. Ik in mijn beste Italiaans dat ik de ‘automobile a noleggio’ op kwam halen. Of ik mijn creditcard even wilde overleggen.
De jaren daarvoor had ik in Frankrijk, Griekenland en op Sardinië auto’s gehuurd. Nooit werd er om een creditcard gevraagd. Maar nu wel. En die hadden we dus niet. Ik kon hoogspringen, laagspringen, in het Italiaans, Engels of Duits schelden. Of in het Gronings dreigen dat ik die Itakker over de balie trekken ging. De man bleef onvermurwbaar. ‘No carta di credito, no macchina.’ Geen creditcard, geen auto.
Daar stonden we dan, in Pisa, tachtig kilometer van de eindbestemming. Ik heb twee weken lang door de Toscane gereisd in een trein omdat ik geen plastic kaartje had.
Dit jaar ga ik voor het eerst sinds drie jaar na alle coronashit weer op vakantie. Naar Spanje. In mijn eigen auto.
Ik wens een ieder een hele fijne vakantie, een fijn leven ook, zonder pinproblemen.

Erik Hulsegge

Vanaf volgende week heb ik verhalenvakantie en word ik heel lief vervangen door een aantal collega’s. Alice Buitenga is de eerste.