Deze dag: Bejaarde krakers slaan toe

Meneer en mevrouw Harms met hun dochter en schoonzoon
Meneer en mevrouw Harms met hun dochter en schoonzoon © RTV Noord
Wekenlang had hun dochter het gemeentelijk huisvestingsbureau in de stad Groningen achter de broek gezeten. Toen dat niet hielp, namen mevrouw en meneer Harms op deze dag, 30 juli 1983, samen ‘het breekijzer ter hand’. Ze gingen kraken! Want woonruimte op de begane grond was absolute noodzaak.
Dat kwam doordat mevrouw Harms, 73 jaar oud, een paar maanden eerder bij een ongelukkige val haar heup had gebroken. Vier weken lag ze vervolgens in het ziekenhuis om te herstellen. En daarna moest ze zeven weken revalideren in het Treslinghuis. Het huisvestingsbureau vond al die tijd niet één geschikte woning voor meneer Harms (74) en vooral mevrouw Harms, die zelf de zestien treden naar de bovenwoning niet meer op kon.
‘Ik heb iedere dag gebeld naar de huisvesting’, vertelt de dochter van het bejaarde stel tegen de verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden. ’Ik heb iedere lege benedenwoning die ik zag bij hen gemeld, maar ik kreeg iedere keer te horen, dat die huizen al verzegd waren en dat mijn moeder bovenop de stapel met urgente gevallen lag.’
En dan waren er ook nog eens de medische verklaringen. Daarin was te lezen dat, mede gehinderd door hartklachten, mevrouw Harms ‘niet in staat was om trappen te lopen.’ Het grootste deel van de huisraad was al weken geleden in dozen gepakt. Voor de verhuizing. Maar een geschikte woning kwam niet vrij.
Een groot probleem van onze tijd, een tekort aan betaalbare woonruimte, speelde veertig jaar geleden ook al. Op 30 juli 1983 publiceert het Nieuwsblad een rapport over de staat van onderhoud waarin naoorlogse huizen verkeren. Die blijkt bedroevend. De TU Delft heeft becijferd dat de staat waarin veel woningen die na 1940 zijn gebouwd verkeren zo slecht is, dat hoge renovatiekosten moeten worden gemaakt. De logische gedachte die de overheid tot dan toe hanteerde - hoe jonger een woning hoe beter – blijkt in de Nederlandse bouwpraktijk niet op te gaan.
Intussen is het geduld van de familie Harms op. Het is genoeg. De dochter en schoonzoon van het bejaarde stel laden de huisraad in een bestelwagen. Ze breken de achterdeur van een zojuist verlaten huis aan de Bankastraat open en dragen een bankstel, een paar lampen, een radio en nog wat andere spullen naar binnen. Ze waarschuwen de woningbouwvereniging, de wijkagent brengt meteen het huisvestingsbureau keurig op de hoogte.
De man die daar het nieuws te horen krijgt en kennelijk de baas is, reageert weinig begripvol. ‘U moet zelf weten wat er van komt,’ luidt zijn afgemeten tekst. Bovendien dreigt hij met een uitzettingsbevel. En toen kon ineens wel, wat wekenlang onmogelijk was geweest.
Er kwam een aanbieding voor geschikte woonruimte. De verhuiswagen kon bijna meteen doorrijden naar de Avondsterlaan. Daar was een benedenwoning gevonden. Er moest weliswaar een kleinigheid aan worden opgeknapt, maar dat had de familie Harms er graag voor over. Het bejaarde stel had op deze dag, 30 juli 1983, weer een plekje in de stad gevonden.