Column: Naaktstrand

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Als je elke week op de 'webstee' van RTV Noord een verhaaltje schrijft met een foto van jouw hoofd erboven, dan moet je er niet gek van opkijken dat je op straat herkend wordt. Dat mensen even een praatje met je willen maken en sommigen zelfs met je op de foto willen.
In het begin had ik het niet zo door. Maar als mensen voor je huis stil blijven staan om naar binnen te loeren, ja dan is het zover. Zoals Harm Lubbert het zo mooi zegt: ‘Bist nou n BG-er mejong.’
Een bekende Groninger zijn heeft voordelen. Je krijgt uitnodigingen voor de gekste en mooiste dingen. Een theatervoorstelling in een boerenschuur, de première van een televisieserie, een dagje trouwambtenaar op een rondvaartboot, voorlezen in de mooiste tuin van Oskerd, fietsend in filmpjes spelen over de Groninger geschiedenis of voor heel even de dirigent van een groot orkest zijn. Je beleeft heel wat als BG-er.
Er is ook een schaduwkant. Niet dat ik het erg vind om BG-er te zijn, want dan had ik niet bij Noord moeten gaan werken, maar je moet altijd wel de aardige vriendelijke man zijn die zich bovendien netjes gedraagt.
En nou ben ik net als jij een mens van vlees en bloed die ook wel eens stikchagrijnig is, boos kan zijn om niets, mijn voet net even te zwaar laat leunen op het gaspedaal of net een biertje te veel drinkt in het café onder het motto van ‘dij leste haar ‘k nait meer hebben mouten'.
Als BG-er pas ik daar nu wel voor op, want voor je het weet gaat in deze elk-filmt-elk-maatschappij een filmpje van een dronken Noordman of een bumperklevende Hulsegge de hele wereld over. Kortom, ik ben me heel bewust van het BG-er zijn.
Op de fiets heb ik dat minder. In zwarte fietskledij en met een grote zwarte helm en een grote witte zonnebril met spiegelende blauwe glazen op, voel ik me even vrij van de bekende wereld. Er is toch geen hond die mij in mijn wieleroutfit herkent. Althans, dat dacht ik.
Het begon denk ik in Lutjeloo, net even voor de Westerwoldse Aa. Ik zou worden ingehaald door een fietscluppie in blauwe shirts met Tour 80 erop. Acht mannen en een wichtje. Ik had ze al zien aankomen, want ze reden een keer zo hard als ik.
‘Moi Erik!’, hoor ik ineens achter me. Wel verdold. Ze waren nog zeker vijftien meter achter me. Hoe kon een van die lui me dan van ver al herkennen en ook nog van achteren nota bene. Toeval, dacht ik nog, want het bleek Henkie van de Witte Muizen, die ik nog van vroeger ken, die het riep.
Een week later in Blijham. Ik was moe en op weg naar huis. Ik stak met het hoofd tussen mijn schouders van de Hoofdweg in Blijham de weg naar Bellingwolde over naar de Winschoterweg. Als fietser moet je de weg met een bocht via het fietspad oversteken, maar moe als ik was, nam ik de gewone weg rechtdoor.
Ik was nog bezig met oversteken, toen ik vanaf het fietspad twintig meter verder de schelle stem van een oude, ook fietsende vrouw hoorde. ‘Dat mag nait mejong!’, riep ze. Ik bromde iets terug van ‘Ohh, komt wel goud hor’.
Hoor ik ineens de stem tegen mij roepen: ‘Och, ik zug t al wel. Doe bist dij jong van Noord!!’ Ik zakte bijna door mijn fiets. Hoe kon ze dat nou zien? Helm op, dikke zonnebril en een zes dagen baard en van twintig meter afstand. Hoe dan? ‘Volgende keer t fietspad over mejong hor’, voegde ze er streng aan toe. Ik dacht even dat ik in Bananasplit zat.
De keer daarna fietste ik op een mooie zaterdagmorgen in Hongerige Wolf. Er was een man aan het schoffelen in zijn voortuintje. Ik was al bijna voorbij en riep in opperbeste stemming van onder mijn fietshelm: ‘Moijjjj….’ Ik zweer het je, de man schoffelde rustig door en zonder maar een ogenblik op te kijken van zijn padschoffel kwam het antwoord: ‘Moi Erik….’
Twee week geleden was ik met lutje laif aan de Spaanse Costa Brava voor het ultieme vakantiegevoel. Even weg van alles, even heerlijk vrij. We bezochten de meest afgelegen en idyllische strandjes met alleen maar Spanjolen.
Een van die strandjes heet Cala de l’illa Roja. Het Strand van het rode Eiland. Een schitterend strandje van hele kleine steentjes tussen de rotsen met ervoor in de zee een grote rode rots met een paar boompjes erop. Om er te komen heb je twee routes: een korte en een lange, maar in beide gevallen moet je flink klauteren om op het strandje te komen.
Als lutje rooie kwam ik er al met mijn oom en tante en neefje en nichtje, maar wat ik niet wist was dat het strandje in de loop der jaren een Platja de Nudista was geworden. Een naaktstrand. ‘Ach’, dacht ik. 'Wat kint schelen.’ Het strandje is te mooi en te afgelegen om er niet van te kunnen genieten.
Ik heb nog nooit naakt gerecreëerd behalve in zwembad de Ringberg in Scheemda na een uit de hand gelopen feestje van een goede vriend. Het feestgewoel zette zich vanuit het feesthuis naakt voort in het water van het diepe.
Ik dacht: dit heeft hier heel ver van Nederland, heel ver van Grunnen, tussen de naakte Spanjolen toch niets om het lijf. En dus trok ik mijn zwembroek uit en liet mij poedelnaakt vallen op mijn handdoek. Het voelde heerlijk vrij om het zo maar uit te drukken.
Wij lagen een meter of vijf van de zee op de rand van de schaduw van de rotsen en de stralen van de klimmende zon. Voor ons in zee waren een man en een vrouw in het helderblauwe waterrijk aan de meest schitterende vissen aan het snorkelen.
Na een kleine kwartiertje zwom de man richting strand en kwam hij zonder zwembroek en met een enorm snorkelmasker op z’n hoofd het water uit. Voor onze ogen zette hij het masker af en druipend van het zeewater monsterde hij ons, van kop tot teen. En zei toen...
‘Goh Erik, doe hier ook…!?’
Erik Hulsegge