Column: Hé rooie

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
'Schelden ze die ook altied veur rooie...?’ Ik hoor me het nog tegen haar zeggen. Ik ben nooit goed in versierzinnen geweest. Mijn verlegenheid bracht mij - en dan meestal met een flinke hoeveelheid drank in de borst - niet verder dan: ‘weet je misschien hoe laat het is?'
Of als ik in vorm was: ‘wil je iets drinken?’ Nee, in mijn vrees een blauwtje op te lopen blonk ik niet uit in openingszinnen. Ik kon het ook niet over mijn hart verkrijgen om dingen te zeggen als: 'gelukkig heb ik een zwemdiploma, anders zou ik in die mooie ogen van jou verdrinken'.
Ooit hoorde ik een Griekse adonis tegen een mooi, blond Nederlands meisje zeggen, dat nota bene in mijn gezelschap was; ‘I think your father is a thief’. Het meisje zette een gezicht op van: waar heb je het in godsnaam over? De bruin gespierde Griek met donkere manen vervolgde: ‘I think he stole the stars from the sky and put them in your eyes.’
Ik kon er niks aan doen, maar ik moest daar zo om lachen. Ik kreeg zo de slappe lach, dat ik niet meer ophield. De Griek voelde zich daardoor zwaar beledigd en wilde mij aanvliegen. Gelukkig was er een ober die er tussensprong en die redde mij zo, vermoed ik, het leven.
Ik had veel liever dat een meisje mij aansprak, maar in de tijdgeest van de tachtiger jaren gebeurde dat niet. Althans bij deze rooie tiener niet. Dus zat er als jonge wandelende hormonenbom niets anders op dan zelf de stoute schoenen aan te trekken, maar dat durfde ik weer niet, omdat ik daarvoor veel te verlegen was.
En zo belandde ik in een vicieuze cirkel van vergeefs verlangen en bier. Tot die ene keer aan het eind van mijn tienerjaren. Ik was al langere tijd vol bewondering voor een meisje met rood haar. Niet zomaar rood haar. Nee, vlammend rood. Van kilometers afstand zag je haar al aankomen. Ze gaf bijna letterlijk licht en telkens maakte mijn hart een sprongetje als ik haar zag in de winkelstraat, in de disco of zomaar ergens fietsend in de stad.
Van uiterlijk en figuur was ze als een fotomodel, maar het was haar haar dat fascineerde. Ik dacht bij zoiets moois nooit enige kans te maken, maar op een mooie zaterdagavond stond ik pardoes naast haar aan de bar van de bar-dancing. Alsof ze uit de lucht was komen vallen. En even pardoes als ze naast me stond begon ik een gesprek.
Ik: ‘Moi”
Zij: ‘Moi’
Ik: ‘Bist hier al laank?’
Zij: Neuh net.
Ik: ‘Drok nait?’
Zij: ‘Oardeg nuver.’
De kans om dit diepgaand gesprek verder te voeren was er niet, want er kwam een gozer van twee meter met een bruin leren jack tussen ons in staan. En die zei tegen haar: ‘Bier!?’ Twee uur later stapte ik half beschonken alleen de donkere straat in.
Ondanks mijn roes, vernam ik dat mijn veter los zat. De knoop duurde iets langer dan normaal, maar toen ik weer omhoog kwam, keek ik zo in de ogen van haar, het meisje met het rode haar. Ik was in mijn dronkenschap zo verbouwereerd dat er ineens uit mijn mond floepte. ‘Schelden ze die ook altied oet veur rooie?’
Een tel later stonden we te zoenen. Misschien zoende ze me op dat moment wel omdat ze medelijden met me had omdat ze uit mijn vraag had begrepen dat ‘Rooie’ mijn tweede naam was, bedenk ik me nu. Het was de eerste en laatste keer dat we zoenden.
Hoe kom ik hier nou op? Ik kreeg onlangs een appje van een vrouw uit Pekela. ‘Ol Pekel’ moet ik hier zeggen, want ze woont niet in Nieuwe of Boven. Zij - waarschijnlijk ooit ook rooie - stuurde een artikel uit het tijdschrift van taalgenootschap Onze Taal.
‘Hé rooie!’, luidt de kop van het artikel. De schrijfster van het stukje had aan de lezers van het blad gevraagd wat voor scheldwoorden ze naar het hoofd kregen geslingerd als ze niet voldeden aan het schoonheidsideaal. Kaal zijn (biljartbal), brildragenden, (brillenjood), mageren (gratenpakhuis) en flaporigen (dombo) zijn daar een enkele voorbeelden van.
Maar de roodharige in onze maatschappij, De Rooie, krijgt het het zwaarst te verduren, zo blijkt uit de reacties van de lezers. Rood haar, blanke huid en bevlekt met sproeten, nee dan ben je mooi de sjaak.
'Bleekscheet', 'hé rooie spring es op groen', 'liever dood dan rood', 'sta je altijd al op melkflessen', 'zijn je luizen ongesteld', 'vuurtoren' en zo kan ik nog wel even doorgaan. Uko van de glashandel zei altijd: ‘Rooien binnen kwoien’. En kameraad Henkie vroeg me altijd of mijn ‘pa sums roest in loop haar’. Henkie doelde dan op mijn sproetenkop die te wijten zou zijn aan roestig zaad van mijn vader.
Ik ging jaren als Rooie Rinus naar de echte Rooie Rinus door het leven. Met het vervagen van de rode kleur van mijn haar, verdween dat Rooie en werd het alleen nog maar Rinus. Heb het trouwens nooit gevoeld alsof ik het zwaar te verduren had. In het dorp had tenslotte iedereen een bijnaam. Dat hoorde en was gewoon zo. Punt.
Niet zo lang geleden zag ik het meisje met het rooie haar terug in de Aldi in Zuidbroek. Ik stuurde mijn karretje het gangpad van de wijnen in en daar stond ze. Een gelukkig getrouwde moeder, decennia later. Haar figuur en uiterlijk nog altijd even mooi. Het rode haar niet meer zo vurig als het ooit was geweest. Maar de glans zat er nog steeds op.
‘Hé rooie’, riep ik lachend. Ze lachte terug. We praatten over koetjes en kalfjes en rode wijn. Een kwartiertje later zag ik haar door het voorraam van mijn auto lopen over de parkeerplaats, fles wijn onder de arm.
Tja, dacht ik. Over rooien kun je heel veel zeggen, op rooien kun je ook heel veel schelden maar een ding is zeker:
Mooi rood is niet lelijk.
Erik Hulsegge