Column: Een man met angst

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
Ik heb een goede oude vriend. In het verleden zagen wij elkaar meer dan regelmatig. Sterker nog: er ging geen dag voorbij of wij deelden het laatste nieuws over de FC, de stand van zaken van de vrouwen of een smeuïge roddel over een gezamenlijke collega.
Dat laatste kon heel simpel want wij waren samen van Noord. Dagelijks toog hij met zijn microfoon naar de Groninger binnenstad om mensen aan hun jasje te trekken over broodtrommeltjes, duurbetaalde vis en eeuwige liefde. Hij stelde de vragen en stopte daarmee met de woorden: Uw tijd is om.
Op de burelen van Noord, op de crosstrainer in de sportschool of tijdens een broodje bal onder d’Olle Grieze smulden we al terugkijkend om de gekste en mooiste verhalen van de man of vrouw in de straat.
Zelfs toen ik mijn goede oude vriend als zijn baas met radiopensioen stuurde veranderde er weinig. Ook het einde van zijn sportschoolcarrière vanwege een gammele knie deed niks af aan onze vriendschap. Hoogstens had hij een nieuwe trendy bril of glanzend hippe schoenen.
We zagen elkaar nog steeds met enige regelmaat. De gesprekken waren als altijd. Dat ons zien gebeurde overigens altijd in Stad, in zijn Big City. Ik stuurde eerst de Bruine Panter, later de Witte Reus altijd over de A7 naar het westen. Met plezier.
Net als bij vele anderen kenterde het leven door corona. Iedereen bleef in zijn eigen coconnetje, in zijn of haar cirkeltje. Ik geloof dat ik in twee jaar tijd een keer in hartje Stad ben geweest en dat was voor een (nood)zakelijke bespreking over een documentaire.
Het gevolg was wel dat ik mijn goede oude vriend niet meer zag. En hij mij niet. Heel soms een appje of een kort telefoontje. Plotseling kwam bij mij het besef dat het eigenlijk wel een beetje vreemd was dat ik altijd naar Stad reed. Andersom reed hij nooit de A7 naar het oosten af. ‘Loat e ook mor es n moal hierzoot hin kommen’ was mijn gedachte.
Maar dat gebeurde niet. Dus zagen wij ons niet meer. Tot vorige week. Ik liet na zijn appje met de woorden ‘Vriend wij moeten elkaar weer zien’ de Oost-Groningse koppigheid varen en toog op een herfstachtige avond naar de Kromme Elleboog.
Wij laafden ons in Brussels Lof aan wijn en vis gelardeerd met een goed gesprek. Dat ging over hem, meer nog over zijn angsten. Mijn goede oude vriend kwam met de ontboezeming dat hij al meer dan veertig jaar met angsten leefde. Angsten voor alles. Bijkans teveel om op te noemen. Angst om ergens te zijn, angst om ergens te komen.
Vliegen, varen en rijden deed hij met intense vrees. Achter het stuur op de snelweg kneep hij ‘m als een dief, vocht hij tegen zichzelf. tegen zijn angst. Auto was de hel. Diverse keren bleef hij badend in het zweet stilstaan langs de kant van de weg.
De gevierde man van Stad, mijn goede oude vriend is een man van angst. Angst die zich verstopt in zijn hoofd maar immer als een duveltje uit een doosje weer tevoorschijn komt.
En nu kwam hij uit de angstkast. ‘Ik heb d’r een boek over geschreven’ zei hij vol trots. De hele wereld mocht weten hoe zijn leven met angsten eruit ziet. Ik kreeg alvast een voorproefje met een gedicht uit het boek.
Soms word ik overvallen
vooral door Mijnheer Angst
ook wel door andere emotiegevallen
maar voor hem ben ik het bangst
(Hester Keyzer)
De vis en de wijn bleven lang onaangeroerd.
Op de terugweg in het donker van de A7, in het monotone gebrom van de dieselmotor denk ik aan de man met angst. Geen wonder dat ik nooit een bezoekje krijg. Ik had mijn oordeel al geveld. Zo zie je maar weer. Niets is wat het lijkt.
In de Kromme Elleboog popten de gedachten al een paar keer op. Nu op de rustige snelweg naar het oosten komen ze als in een film voorbij. Mijn eigen angsten. Angsten die verdomd veel overeenkomen met die van mijn goede oude vriend.
Vliegangst, theater- en bioscoopangst, angst om te verliezen, angst om te falen, hoogtevrees, angst voor het onbekende, angst voor de dood. Ik heb ze allemaal. Eentje niet meer. Vliegangst ben ik kwijtgeraakt, dankzij kameraad Bartje. Voor een vliegreis zoop ik me te pletter, nam de gekste pilletjes, kocht seksboekjes om maar van dat vreselijke gevoel af te komen. Het hielp allemaal niks.
Kameraad Bartje had het medicijn. Hij als piloot nam me mee in een Cessna. Vanaf Eelde vlogen we hoog boven Stad en Ommeland. Het toestel bromde, schudde, plofte, danste, daalde onder mijn kont. En ik was bang. Bang zoals ik nooit geweest was. Piloot Bartje werd niet heet of koud van mijn vliegende angst. Rustig legde hij uit wat er allemaal gebeurde met het vliegtuigje.
Waar de knopjes en lampjes voor dienden, hoe je de stuurknuppel met liefde moest behandelen, hoe het landingsgestel functioneerde en hoe je kon communiceren met de verkeerstoren.
We vlogen over de Grote Markt, de kwelders, de Waddenzee en landden op Borkum. Dat was een even hachelijk als lachwekkend moment, want toen we eenmaal geland waren kwamen we op de strip tegenover een Duits vliegtuigje te staan.
Beide toestellen konden niet meer voor of achteruit. Toen we door onze tegenligger voor ‘blöde Holländer’ werden uitgemaakt was het ijs gebroken. Ik lag dubbel in de cockpit. Daarna was ik nooit meer bang in een vliegtuig. Het onbekende was niet onbekend meer.
Voor alle angsten is een plek. Waar dan ook. Zoals mijn goede oude vriend het zegt tegen zijn angst als er weer eens eentje tevoorschijn komt;
‘Hé jongen daar ben je weer….Maar gelukkig ga je ook weer weg’
Erik Hulsegge