Column: Dikkedakken

Erik Hulsegge
Erik Hulsegge © RTV Noord
‘Ik lust alles’. Buurman Knuterman kijkt me met een zelfverzekerde blik aan. ‘Wij ook hoor’, beamen buurvrouw Knuterman en Knuterwichtje. De Knutermannetjes zijn op visite in ons nieuwe huis en ik sta achter de potten en pannen om onze oude buurtjes te trakteren op een heerlijk avondmaal.
Om even te peilen dat ik niet voor ‘Jan met de korte achternaam’ sta te kokkerellen met een voorafje van Hollandse garnalen, kip in sinaasappelsaus met tagliatelle als hoofdgerecht en als toetje ijs met frambozen.
De Knutermans lusten - en dat verbaast me niks - alles, dus ik kan mijn kookkunsten naar hartelust botvieren. Een spoor van sinaasappelsaus loopt over het ‘nijmoodse’ inductiefornuis, tagliatelle zit vastgeplakt in de pan en een halve citroen wiebelt op de keukenvloer.
‘Ik lust ook alles’, zeg ik als ik de tagliatelle opschud in het vergiet en met een scheutje olijfolie teruggooi in de pan. Mientje schenkt er een goed glas witte wijn bij en voor Knuterwichtje cola. Dat ik alles lust, klopt trouwens niet helemaal.
Als lutje rooie lustte ik geen doperwten, want die verwarde mijn kleuterbrein met konijnenkeutels. Op de Drentse hei, op het Balloërveld, stak ik pardoes een handvol echte konijnenkeutels in de mond met de gedachte dat het doperwten waren zonder worteltjes. Het heeft jaren geduurd voor ik weer doperwten heb gegeten.
Ook kon ik in mijn jeugd ‘Waalse bonen’ niet verdragen, althans die weeïge lucht van tuinbonen niet. Mijn vader was er dol op. Mijn moeder had precies hetzelfde als ik, maar trouw kookte ze om de week apart en speciaal voor mijn vader tuinbonen.
Inmiddels - een halve eeuw later - lust ik ook ‘poepetonen’. Kikkerbillen, slakken, rog kreeft. Ik draai me er mijn mond niet voor om. Je zou dan toch kunnen zeggen dat ik alles lust. In mijn geheugen plopt plotseling een veerboot tevoorschijn. De veerboot van IJmuiden naar Newcastle. En vice versa.
Rond de eeuwwisseling maakte ik in het voorjaar een reis naar Schotland met kameraad badmeester Arie, beter bekend als Badderarie. Met mijn auto, de Zwarte Snoek, in het ruim van de ferry maakten wij eerst varend de oversteek naar Engeland. Wij keken onze ogen uit hoe de dronken doorzuipende Engelsen werden vermaakt door een entertainer met gevoel voor humor.
Hij vertelde dat het ‘twenty degrees’ was in Schotland om er aan toe toe te voegen: ‘Ten in the morning and ten in the afternoon’. Eenmaal aan land reden we langs de kust naar het idyllische Schotse Pitlochry gelegen aan de Tummel en Loch Faskally.
Wij beoefenden daar de edele golfsport. Daarnaast dronken we Schots bier en aten Schotse gerechten, waar we nog nooit van gehoord hadden. Dat ging allemaal heel erg goed, alleen kon Badderarie de ‘dikke kloeten’ in de Braveheart-pint zo groot als een bloemenvaas niet verdragen. Badderarie zwom de hele nacht boven de Schotse pot.
Voor de rest een heerlijke vakantie met voor Schotse begrippen schitterend weer. Met een tevreden gevoel reden we door de Schotse prairie terug langs de doedelzakspeler op de grens, naar Newcastle. De Zwarte Snoek vond een mooi plekje in het ruim van de veerboot en wij waren klaar voor de terugtocht. Om onze honger te stillen brachten wij een bezoek aan het veerbootrestaurant. Fish and Chips voor Badderarie en Pasta Pesto voor ik zei de gek.
Ik had drie happen gedaan en voelde mijn maag een slag draaien. Twee happen Pasta Pesto verder begon ik te zweten en voelde een enorme misselijkheid opkomen. In plaats van de pasta met de gestampte (de letterlijke betekenis van pesto) saus van basilicum knoflook en schapenkaas nam ik snel twee biertjes om de misselijkheid te bestrijden. Het hielp allemaal niks. Wit weggetrokken zocht ik mijn hut op onderin het ruim.
De hele nacht lag ik - de pasta pesto vervloekend - wakker met de armen over mijn maag gevouwen om maar niet te hoeven overgeven. Ik leek op een dood Hollands vogeltje. Dan duurt een nacht op een veerboot heel erg lang, zeker met tientallen dronken schreeuwende en vloekende Engelsen om je heen.
Ik was blij dat ik de scheepshoorn hoorde toeteren dat we de haven van IJmuiden hadden bereikt. Ik wist niet hoe gauw ik met mijn beroerde lijf achter het stuur van de Zwarte Snoek moest kruipen en zo snel als het kon de wal op te rijden op weg naar Grunnen.
De wielen hadden de IJmuidense havenkade nog niet aangeraakt of de misselijkheid verdween. Potverdrie, dacht ik. Dat lag helemaal niet aan die Pasta Pesto. Ik was doodgewoon zeeziek. Mijn hele leven was ik niet zeeziek geweest. Maar toen wel. En hoe. Nog steeds heb ik bij de lucht van Pasta Pesto braakneigingen.
Dus alles lusten. Nee, dat doe ik niet. Ik heb het verhaal maar niet onder de kip met sinaasappelsaus verteld. Dat zouden de Knutermannetjes ook wel een beetje raar hebben gevonden en Mientje zeker. Die houdt helemaal niet van dat soort kotsverhalen.
Ik had trouwens van de week al weer een zeeziekmoment. Man man, wat was ik beroerd, verschrikkelijk gewoon. Sterker nog als ik dit schrijf ben ik nog nog steeds ziek. Geveld door een zware griep. Alles doet me zeer. Mijn hoofd barst bijna uit elkaar, zo vol met snot zit-ie. Mijn spieren doen al pijn als ik er naar kijk. Koude rillingen van de koorts. En hoesten: blaffen als een boze bouvier.
Mientje maakt zich zorgen. Ze vertroetelt me met kopjes kamillethee met honing, beschuitjes met kaas, schaaltjes fruit, strepsils, neusspray, een beste pan kippensoep. Ze probeert me zo goed en zo kwaad als het kan te steunen in mijn zielige ziekheid. Misschien ook wel een tikkie uit schuldgevoel, want Mientje had eerst de griep en heeft de influenza met alle egards en met alle ziekteverschijnselen aan mij overgedragen.
Ik lig boven in bed onder de wol met de elektrische deken op standje drie. ‘Eten is kloar hor laiverd’, hoor ik van onderaan de trap. Ik sleep mijn zieke lijf uit bed en in trainingsjas, trainingsbroek met skisokken daal ik de trap af.
In de kamer staat het eten al op de grote tafel. Een bekende geur komt me in de neus. Ik haal de tafel niet. Halverwege de kamer draai ik me om en maak een sprint naar de WC. Net op tijd.
Als ik even later lijkwit om het hoekje van de kamerdeur kijk, staan de dampende borden nog onaangeroerd op tafeI. ‘k Heb eem gain honger’, zeg ik. ‘De grieze gaait mie over de graauwe’, en wijs naar de borden op tafel.
‘Owh’, zegt Mientje teleurgesteld. ‘Ik doch dastoe echt alles lusde. Ik heb nou net extra goud mien best doan op dizze aibels lekkere Pasta Pesto….’

Erik Hulsegge