RTV Noord

Column: Naar de vuilstort

Erik Hulsegge
© RTV Noord
Een man met een fel oranje gekleurde gemeentejas pakt een zilveren doosje diep uit zijn rechterjaszak. Hij opent behoedzaam het dekseltje en pakt er dan evenzo behoedzaam een sigaar uit en steekt ‘m lopies aan.
‘Hest weer verlof mejong?’, zegt hij tegen mij met een lachje en pretoogjes achter zijn bril om genoegzaam de rook in de lucht te blazen. Hij doelt op een tijdelijke vrijlating uit de gevangenis. ‘Was dien vraauw ook weer bliede dat ze van die of was’, kaats ik terug.
De man is al over de zeventig. Dat weet ik omdat hij mij een keer eerder vroeg om zijn leeftijd te raden. 63 gokte ik. ‘Doe bist mien kammeroad’, zei hij en sloeg me op de schouder. ‘Dou der mor tien joar bie.’
73 was hij en nog steeds met plezier aan het werk. Ondertussen kreeg ik zijn hele loopbaan met twaalf ambachten dertien ongelukken te horen met als hoogtepunt kroegbaas van het roemruchte café t Haantje aan het Zuiderveen.
‘Ik heb n beetje rommel’, zeg ik en wijs naar de volgestouwde paardentrailer achter de zwarte slee van mijn oudste broer. ‘Aans was t hier ook ja nait’, krijg ik als antwoord.
Ik vraag waar ik heen moet met de lege verfemmers. Door een achterwaartse beweging met zijn hoofd begrijp ik dat het naar een hokje met een toonbank achter hem moet. ‘Eem bie mie inlevern en de rest in de goie containerbak goeien,' is het advies.
Het is druk op de vuilstort. Een gekrioel van auto’s met aanhangers, busjes en mensen die hun afval naar een bepaalde containerbak sjouwen en het dan met een sierlijke zwaai en soms met een flinke klap erin dumpen.
Mijn broer heeft tussen de hout- en de grofvuilcontainer een plekje voor de paardentrailer gevonden. Ik sjouw de verfemmers naar het chemisch afvalhuisje. Achter de toonbank verdeelt de sigaarrokende stortman het chemische afval.
‘Hest der sjarlefranzen bie’, begint hij een klaagzang over mensen die hun rommel in de verkeerde containerbakken gooien. Coniferen in de grofvuilbak, complete kasten bij het tuinhout. Of een koelkast bij het oud-ijzer. ‘Din hebben je toch gain verstand’ en het vuur komt uit zijn ogen.
Ik loop terug naar mijn druk sjouwende broer met de gedachte om deze stortklus erg serieus te nemen. ‘Moi’, zegt een vriendelijke man die met een volle aanhanger aan is komen rijden en net is uitgestapt. ‘Ben jij Edwin?' vraagt hij en komt dichterbij. ‘Nee’, zeg ik. ‘Ik ben geen Edwin. Ook nog nooit geweest. Ik ben Erik.’
‘Och ja, sorry’, antwoordt hij. ‘Is ook zo.’ De man blijkt bij mij in mijn nieuwe straat aan het water te wonen. Hij verhaalt over de bouw van zijn huis en dat hij eindelijk op stee is. Hoe hij dat ‘eindelijk’ uitspreekt en de uitdrukking op zijn gezicht erbij spreekt boekdelen. ‘Sorry nog hoor van dat Edwin’, zegt de vriendelijke buurman nogmaals als we afscheid nemen.
‘Bistoe de bruier van Erik?’, hoor ik achter me iemand tegen mijn broer praten. ‘Doar staait e’ en mijn broer wijst naar mij. De man draait zich om. Ik herken hem meteen. Een van de bekendste en aardigste Pekelders die ik ken. Zijn naam is een begrip in de regio.
Onlangs kwam ik in de Parkstad een vrouw tegen die spreekster was op begrafenissen. ‘Ik wil je dit toch even vertellen’, zei ze. Ze was bij een begrafenis van een vrouw geweest die er voor haar dood op had gestaan dat mijn naam zou worden genoemd bij haar uitvaart. Een bedankje uit het hiernamaals voor wat ik voor de familie ooit had gedaan.
Ik wist meteen over wie het ging. Het was de moeder van de man die hier nu op de vuilstort voor me staat. Ik vraag hem naar zijn broer, die ik nog langer ken. Ik raak een gevoelige snaar. Ze blijken elkaar al een jaar niet te hebben gezien.
Op zijn verjaardag hadden ze uit het niets ruzie gekregen. Broer was weggelopen en hij had hem nooit meer teruggezien. Ik kan het me niet voorstellen. Twee zulke aardige lieve mensen. Dat kan toch niet waar zijn?
‘Mout ik der din hingoan?’, stelt hij een vraag meer aan zichzelf dan aan mij. Ik proef de koppigheid die zijn broer waarschijnlijk ook heeft. Ik leg hem voor dat als ze er alletwee zo over denken dat het nooit iets gaat worden.
‘Ik zol der wat aan doun’, zeg ik. ‘Der is al genog ilenne in de wereld.’ De man tegenover knikt. Ik hoop zo dat het weer goedkomt tussen die twee. We nemen hartelijk afscheid. Ik zie de Pekelder peinzend teruglopen naar zijn auto.
Broer heeft de trailer inmiddels schier leeg. ‘Ben jij van Noord?’, vraagt een jongen in een blauw shirt met witte opdruk. Hij is in gezelschap van nog vier jongens met een zelfde blauw shirt van de dagbesteding. Met de begeleider brengen ze in een bestelbusje afval naar de stort. En ze hebben het met hun lachende koppies prima naar de zin.
Als ik beaam dat ik van Noord ben wil hij met mij op de foto en met behulp van zijn kameraden lukt dat ook. Aandoenlijk om te zien.
Met een zwaai naar de blauwgehemde jongens rijden we weg. Bij de grofvuilcontainer staat de sigarenvuilstortman. Hij haalt woest scheldend twee matrassen uit de grofvuilbak. ‘Zie binnen tegenwoordig stekeblind!’, roept hij tegen niemand. 'Hounderhokken binnen t.’
Mijn blik valt op de rechtop gezette matrassen. Ik herken mijn oude matrassen van de logeerkamer. Op dat moment rijden we langs de container met een groot bord ervoor met het opschrift: Matrassen. Ik kijk naar mijn broer. Die heeft ook in de gaten wat er aan de hand is.
‘Mooi deurrieden bruier aans binve dammeet de sigaar…’
Erik Hulsegge